Blog 89, 3 juli 2017

De Commune van Rotterdam (1982-1990).
Acht jaar experimenteren in een sekte.


“Het is goed dat deze kameraad dit probleem bespreekt. Het geeft aan dat hij nog scholing mist, die we hem moeten geven”, zo ongeveer klonk in 1971 de eerste kennismaking die ik had met de zojuist uit Tilburg naar Rotterdam overgekomen student Kees de Boer.

Ik had, als 17-jarige scholier, een stuk voor het kaderblad van de Kommunistiese Eenheidsbeweging Nederland (marxisties-leninisties) geschreven dat vooral werd geplaatst om de andere leden te laten zien wat een filosofisch onbenul ik was. Een van de adviezen die De Boer c.s. de leden gaf was om het artikel 'Over de Buurtcel' van Walter Ulbricht te lezen. Ulbricht? Ja inderdaad, Ulbricht. De man die de Berlijnse arbeidersopstand van 1953 liet neerslaan en de man die de Muur liet bouwen. De Muur? Ja, die ja.

Voorhoede van de arbeidersklasse
We hadden net de scheuring achter de rug waarbij de KEN(ml) opging in de KEN(ml) en de KPN(ml), die we nu kennen als de SP. Terwijl bij de kameraden die de SP gingen vormen de belangrijkste leerstelling de maoďstische Massalijn was, wilden de KEN-leden meer intellectueel onderzoek doen naar de ontwikkeling van het kapitalisme. Hoe vreemd het misschien ook mag klinken, de enige afdeling met een behoorlijk aantal arbeidersleden, Rotterdam, ging in meerderheid met de KEN mee, terwijl de meeste studentensteden de Massalijn en Dien het Volk tot hun doel maakten. Die laatste stroming werd door de gevolgde populistische aanpak steeds succesvoller, maar de andere verdween in nieuwe afsplitsingen en intellectuele acrobatiek.

Men was er daar heilig van overtuigd dat de KEN als voorhoede van de arbeidersklasse een grote rol zou spelen in de aankomende revolutie die in Rotterdam zou beginnen. Daarom trokken enkele tientallen studenten uit vooral Tilburg naar de Maasstad, namen daar de afdeling over en bruskeerden veel van de oorspronkelijke Rotterdammers. Een van die politieke migranten was genoemde Kees de Boer die zich ontpopte als een jongeman met erg veel intellectuele zelfoverschatting. De Rotterdammers splitsten zich daarop grotendeels af en lieten hem en de zijnen achter. Geschoond en gelouterd, dat wel.

Emotioneel bezit
De KEN ging zijn eigen gang in de jacht naar het voorhoedeschap van de arbeidersklasse. Zelfs steun aan het regiem van Pol Pot in Kampuchea (is dat niet Cambodja, het land van de Killing Fields? Ja, dat land ja) of de Amerikanen in hun conflict met de Sowjet-Unie (Het vaderland van de arbeidersklasse, dat land? Ja, dat socialistische paradijs, ja), brachten de KEN echter geen rol van betekenis. Sterker nog, terwijl de SP gestaag groeide, slonk de club van De Boer tot bedenkelijk kleine proporties. Het roer moest dus maar weer eens om.

De Boer, die in Rotterdam tot op de dag van vandaag een praktijk voor relatieproblemen heeft, herontdekte de geschriften van Wilhelm Reich. Deze brachten hem en de andere leden van het Centraal Kommitee op het standpunt dat ze dan maar eerst zelf de Nieuwe Mens moesten gaan vormen. De omverwerping van het kapitalisme kwam later wel. De leden moesten de burgerlijke neiging om hun partner tot emotioneel bezit te maken laten varen. Vrije seksuele relaties en omvorming tot een androgyne mens zouden de eerste stap kunnen zijn. En waar kon dat beter dan in gemeenschapshuizen waar zowel de relatie tussen partners als die tussen ouders en kinderen losser moesten worden. Kunnen werd langzaam moeten en De Boer bleek niet alleen de man te zijn die het beste met alle vrouwen in de groep seks had, maar ook degene die indien nodig afvalligen hardhandig tot de orde kon roepen. Het oude partijmodel was weliswaar verlaten maar in de beste tradities van de leninistische partij deed men aan lange sessies van kritiek en zelfkritiek en nog langere door de leiding voorgekookte en geregisseerde vergaderingen. De Nieuwe Mens moest goed gesmeed en gekneed worden.

Aftrekken en penetreren
Een van de vrouwen die aan het hele circus meedeed, maar blijkbaar ook reserves had, was Kees’ eigen Puck. Om nu, vele jaren later, met zichzelf in het reine te komen heeft ze de geschiedenis van de Commune van Rotterdam in een dik boek uit de doeken gedaan. Het boek geeft een onthullende inkijk in menselijk gedrag, hoe mensen zich vanuit een overtuiging snel onderwerpen aan een grote leider en zich zelfs door hem laten ringeloren en mishandelen zonder daartegen op te staan. De gelijkenis met religieuze sektes is griezelig.

Enige weken geleden stiet ik per ongeluk op het boek van Puck van der Land en ik heb het bijna in één ruk uitgelezen. Wat een drama. Het idee van een commune was in die tijd natuurlijk behoorlijk populair, zelf heb ik toen ook een aantal jaren in een woongroep gewoond waar we veel met elkaar deelden. Maar dat was en bleef wel op vrijwillige basis.

In de Commune van Rotterdam daarentegen was er al snel niets meer over van enige vrijwilligheid. De vrije seksuele relaties die iedereen vrij moesten maken, hebben de leden slechts vastgezet in gedwongen seks, dus zeker niet vrij gemaakt. En van mishandeling was bij ons ook geen sprake. Dat er ook een zweem van seksueel misbruik van kinderen om de commune hing, heeft zelfs geleid tot een politieinval. Uiteindelijk zijn alle aanklachten ingetrokken en de kinderen weer teruggegeven in de ouderlijke macht van hun ouders. De Boer en zijn secondant Maria Haagen mochten na een week hechtenis opdraven bij Sonja Barend om hun verhaal te doen. Daar onthulden zij dat toen de kinderen bij een vrijpartij binnenkwamen ze een beetje mee mochten doen. De Boer werd even door een van de kinderen afgetrokken en Haagen liet zich bij een andere gelegenheid door een jongetje kort penetreren. In het boek van Van der Land krijgt wel Sonja Barend ervan langs, maar over de bekentenis van de Leaders of the Pack geen woord. Heeft ze daar toch nog steeds schuldgevoel over?

Na lezing van het boek bleef ik, om in de sfeer te blijven, met een onbevredigd gevoel zitten. Aan de ene kant lijkt de schrijfster schoon schip te willen maken, maar ook bekroop me regelmatig het gevoel dat ze ook nu, zoveel jaren later niet helemaal oprecht is. Misschien heeft het te maken met een poging de vroegere leden te ontzien. Dat zijn inmiddels allemaal goed terecht gekomen mensen met een goede baan die hun periode in de Commune het liefst willen vergeten. Zo was ook de ervaring van radiomaker de Vogeltjesman die enige jaren geleden op zoek ging naar openhartige ex-leden.
De belangrijkste les die volgens mij uit het boek valt te trekken, is dat het blindelings volgen van theoretische modellen en het streven naar de Nieuwe Mens ook op deze zeer kleine schaal leidt tot een leiderschapsverering, slaafsheid en het schofferen van het gewone lid. Maar dat wist u natuurlijk allemaal al.

Tenslotte
Als het u zou interesseren met wie ik in de splitsing van 1971 meeging, dat was de KEN. Binnen de kortste keren splitsten we ons ook daarvan af en vormden de Kommunisten Kring Rijnmond (ml), waaruit ik na het schrijven van een dik stuk met als werktitel Lenin als Alchemist binnen enkele maanden vertrok. Met Kees de Boer had ik toen al niet meer te maken. Ik was geestelijk weer vrij en heb me sindsdien door niemand meer laten vertellen wat ik moet en mag denken en vinden.

Puck van der Land, De Commune van Rotterdam en het failliet van de vrije liefde, Soesterberg 2016, 416 p.

Websites met meer informatie over de Commune zijn die van het Algemeen Dagblad en een documentaire van radiomaker De Vogelman. In de Haagse Post zijn twee artikelen verschenen over het maoďsme in Nederland (pagina 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7, HP van 18 april 1981) en over deze Commune (pagina 1, 2 en 3, HP van 18 mei 1985).

Sjaak van der Velden




Blog 88, 5 mei 2017

Uitgeven en uitgeven

U kent dat allemaal wel. Je staat op een station of vliegveld en bedenkt ineens dat de reis wel erg lang zal duren. Dus snel naar de kiosk gehold voor een boekje om iets te doen te hebben. Daar liggen ze dan, tientallen tot honderden titels. Vaak in pocketvorm en voor een schappelijke prijs. Er zitten boekjes tussen die van 10 tot 20 euro kosten. Een redelijke prijs voor een uurtje of wat de zinnen verzetten tijdens de reis.

Met die maximaal 20 euro is trouwens niet alleen de lezer content. Ook verdient een lange reeks medeburgers er een boterham mee. De auteur, de opmaker, de corrector, de uitgever, de drukker, de papierfabriek, de vrachtwagenchauffeur, de koffiejuffrouw, de verkoper en ik vergeet er vast nog een paar. Al die mensen werken samen om ervoor te zorgen dat er uiteindelijk een boekje in de verkoop ligt en de reiziger gelukkig kan worden. Een mooi vak is dat van uitgever want die is de spil in het web die ervoor zorgt dat het eindresultaat mee op reis mag.

Bij het woord uitgever heb ik altijd een beetje morsige man voor ogen, iemand gestoken in een regenjas waarop de wijnvlekken worden uitgewist door jenever. Een oudere man met stoppelbaard, een beetje veel buikvet maar ter compensatie van deze lichamelijke ongemakken een ongekende liefde voor boeken. Zo iemand die vindt dat zijn boeken op het mooiste papier gedrukt en met de prachtigste letter moeten worden opgemaakt. Als het aan hem lag zou zijn hele fonds in kalfsleder gebonden en met goud op snee in de etalages schitteren. Dan maar een boterham minder. Nou, dat type bestaat misschien nog wel, maar niet in de niche waar ik mijn werk kan laten uitgeven.

Hoe anders was mijn ervaring namelijk in de aanloop naar een pocket van 160 pagina’s over de geschiedenis van de Nederlandse vakbeweging. De uitgever wilde het wel uitgeven. Geen probleem. Als ik zelf zorg zou dragen voor de opmaak en bereid was om 350 euro over te maken voor het aanvragen van een ISBN nummer. Toen ik daar een externe financier voor had gevonden, berekende de calculator de winkelprijs op € 29,95. Let wel, het ging en gaat niet om een in fullcolour uitgegeven prachtblad, maar om een pocket met zwarte letters en dito plaatjes. En niet genaaid en met harde omslag, maar een volgens het populaire Print on Demand (POD) procedé gemaakt boekje waarvan de bladzijden aan elkaar zijn gelijmd.
Dat was me toch wel wat gortig. Op mijn vraag of het boekje niet voor een bedrag onder de 20 euro kon worden aangeboden, was de uitgever heel toeschietelijk. Als ik van mijn auteurshonorarium zou afzien, dan kon de prijs naar € 17,50. Ja, rekenen kunnen ze daar wel maar ik heb nog nooit meer ontvangen dan 15% van de netto verkoopprijs, wat in dit geval dus ongeveer 4,25 zou zijn. Waar zijn die resterende ruim 8 euro gebleven? Blij dat dit boekje er nu eindelijk zou komen, heb ik maar toegegeven want ik wil het verhaal van de vakbeweging graag onder de aandacht brengen.

Slim of netjes?
Zoals een collega me zei, slim en netje is het niet. Niet slim van mij en niet netjes van de uitgever. Het bedrijf liep al geen enkel risico en stopt nu ook mijn auteursvergoeding in eigen zak. Maar het werd nog gortiger. Dezelfde uitgever gaf onlangs ook een bundel uit waaraan ik een bijdrage heb geleverd. Een internationaal boek over de geschiedenis van de scheepsbouw sinds de jaren 70. Daarvan zouden we wel een of twee auteursexemplaren ontvangen. Ja, hallo, ook dit boek gaat als POD over de toonbank. De auteurs krijgen een pdf van het boek toegestuurd en kunnen met korting een geprint exemplaar kopen. De prijs? Als je het als papieren boek wilt kopen kost dat 159 euro, maar wil je alleen de pdf opgestuurd krijgen, dan krijg je daar een korting van 1 eurocent bij: € 158,99. Ja lieve lezer, u leest het goed het verschil tussen papier en bytes bedraagt één cent. Maar niet getreurd, de auteurs mogen het papieren boek met korting kopen voor 120 euro. Ja,ja, die morsige uitgever drinkt geen goedkope wijn en tweede keus jenever meer.

De naam van het bedrijf? Ooit was het de Amsterdamse Universitaire Pers, maar nu tooit het zich in de geglobaliseerde wereld met de prachtige naam Emsterdččm Joenivursitie Pres. Onthoud die naam en wees gewaarschuwd. Om een lang verhaal af te ronden, toch maar kopen dat boekje over de vakbeweging want het is de moeite waard, al zeg ik het zelf.

Sjaak van der Velden

Blog 87, 10 april 2017

Ferdinand Domela Nieuwenhuis als City Logo

Is het na de definitieve teloorgang van de Partij van de Arbeid ook gedaan met het Ferdinand Domela Nieuwenhuis Museum, wiens naamgever de eerste sociaaldemokraat, grondlegger van de socialistische beweging in Nederland en ook nog eens de latere tegenstander van de sociaaldemokratie? Je zou haast denken van wel, nu het Ferdinand Domela Nieuwenhuis Museum bedreigd wordt met sluiting door het gemeentebestuur van Heerenveen. Of is het oud zeer van de sociaaldemokratische meerderheid van dat gemeentebestuur?

Verbazing alom over de sluiting van het museum te Heerenveen, dat niet alleen de nagedachtenis van Ferdinand Domela Nieuwenhuis levend houdt, maar tevens de opkomst van de sociale beweging rond hem en later rond Piter Jelles Troelstra documenteert, beschrijft en daardoor het belang en het succes van die beweging en organisaties aangeeft. Misschien ook wel verbijstering omdat het museum nog niet zo lang geleden welwillend onthaald is toen het in Amsterdam noodgedwongen weg moest. Maar ook omdat het wegsturen of sluiten van het museum zo’n gemiste kans is.

Een gemiste kans? Ja, want de geschiedenis van Domela en zijn beweging is direct verbonden met de regio rond Heerenveen en in Friesland. En zo’n verbondenheid is een ideaal vertrekpunt van citymarketing. Op het ogenblik heeft de stad Heerenveen het nogal sleetse ‘Heerenveen, een gouden plak’. Ik denk dat deze slogan verwijst naar het schaatsstadion – helemaal zeker ben ik niet – waar vele Friezen en andere Nederlanders schaatsrecords vestigden.

Citymarketing was tien jaar geleden een nieuw begrip, althans voor mij. Een werkdefinite is: ‘Citymarketing is het marktgericht opereren van een gemeentelijke organisatie om alle stedelijke actoren zover te krijgen dat de stad zich als geheel naar buiten kan profileren.’ Ik werd er mee geconfronteerd in 2006, toen we in Den Haag een nieuwe wethouder kregen na acht jaar CDA-er Wilbert Stolte. We, dat waren wij, de ambtenaren van BIZ (Bureau Internationale zaken), bezig met Europese ICT-projecten en Den Haag promotend als ICT stad van recht en vrede, waaronder ook stedenbanden met een dorp als Juigalpa te Nicaragua onder viel. Stolte was een  voorstander en promotor van het internationale beleid evenals zijn baas, burgemeester Deetman. De nieuwe wethouder was de voormalige wethouder van Amsterdam, die het ‘I amsterdam’ concept ontwikkeld had. Dus we hadden toch wel enige zorg voor ons beleid. Niets bleek minder waar. Ik heb zelden zo’n actieve internationale wethouder meegemaakt, die Frits Huffnagel.

Vanaf het begin was het duidelijk dat citymarketing wel zijn ding was (hij was verantwoordelijk voor dat mooie, nu verdwenen, Haagse stadslogo), maar dat internationaal, ict-projecten en vertegenwoordigingen zijn tweede liefde waren. Onder hem werden internationaal, ict, stad van vrede en recht onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het gaf een enorme stimulans aan ons werk.

In Nederland zijn veel steden overgegaan naar een citymarketing concept. En behalve die van Den Haag en Amsterdam lijkt het wel of uitgebluste derde rangs adviseurs even iets bedacht hebben. Je schaamt je als Nederlander of zelfs als mens dat zoiets bedacht kan worden als ‘Enschede stad van nu’, het alweer verdwenen ‘Harlingen heeft wad’ en die van Heerenveen past in datzelfde rijtje. Dus waarom niet dat aftandse ‘Heerenveen een gouden plak’ vervangen door iets dat het sociale, internationale, demokratische en toekomstgerichte verbindt met de alom gevierde ‘Friese vrijheid’.

Dus weg met die plak! Schrijf een prijsvraag uit, zodat je de gemeente Heerenveen en de regio, waar het volk als eerste vertegenwoordigd werd in het Nederlandse parlement, de juiste en inspirerende plaats geeft in de geschiedenis čn in de toekomst.
Met Ferdinand Domela Nieuwenhuis in de hoofdrol!

Marten Buschman

Blog 86, 25 december 2016

Waar is het Links Populisme?

Begin deze week weer Spui het prachtblad van de Alumnivereniging van de Universiteit van Amsterdam binnen gekregen. En elke keer weer een genot om te lezen. Wie er nu weer gepromoveerd is en welke oud-student overleden is, het staat er allemaal in en nog veel meer. Mijn favoriet is de serie over families in de wetenschap. Drie á vier generaties van één familie hebben aan de Amsterdamse tak van de universitaire wereld gestudeerd of vaker nog als onderzoeker en opvallend vaak als professor gewerkt. Mooie afleveringen, waarin duidelijk wordt hoe netwerken en een goeie opvoeding werken. Mijn familie zat er nooit tussen, maar ja dan moet die wat langer in het universitaire netwerk zitten.

Het decembernummer viel wat rauw op de deurmat. En dat vanwege een artikel over twee wetenschappelijk onderzoekers die het beiden over het populisme en nationalisme hebben. Leuk, dacht ik nog, eindelijk ook eens over meer dan alleen maar het populisme van rechts. Maar neen, het gaat alleen over Wilders (‘dog whistle racism’) en andere rechtse verschijnselen. Hoogleraar Europese studies Joep Leersen van wie het hondenfluitje citaat afkomstig is zegt ook: ‘De film Michiel de Ruyter is tenenkrommend vanwege de onhandige anachronismen en het bombastische hoera-patriotisme’. 
Tja, het lijkt alsof een natuurkundige de Starwars films bekijkt vanuit het natuurwetenschappelijk standpunt en zich niet laat vermaken. Neen, hyperspace is onzin, een planeet vernietig je niet met een laserstraal binnen vijf seconden, een schip binnenloodsen met fraaie bochten kan alleen maar binnen een atmosfeer, dus niet in het luchtledige en een knal in de ruimte doet andere dingen dan in de film en vooral je hoort er niets van.
Ik heb de film De Ruyter (zie blog 74 van Sjaak van der Velden hieronder) ook gezien: aardig vermaak en soms wel duidelijk zichtbaar dat het gemaakt is met een beperkt budget. En vooral aardige rollen van Nederlandse acteurs, van wie Barry Atsma als Johan de Witt voor mij het hoogtepunt was naast de camerascheervlucht over Amsterdam naar de vogelwijk …. met galg! Ik heb geen bombastisch hoera-patriotisme gezien, wat dat ook moge betekenen.

En vooral, waar zijn al die linkse populisten zoals Asscher, Roemer en Klaver met hun hondenfluitjes van onmogelijke oneliners. Sterker nog de socialisten zijn als populisten begonnen. Neem nou alleen maar eens de SDAP, toen de partijleden een landelijke krant oprichtten in 1900. Zij noemde die krant niet ‘de socialist’, ‘de toekomst’, ‘de nieuwe tijd’ maar Het Volk (het had net zo goed De Volkskrant, de populistische naam van de Rooms-katholieken, kunnen heten). Dit op aanraden van de partijleider Piter Jelles Troelstra, die zelf vanuit de bourgeois media als verwijt ‘Vox Populi’ toegeworpen kreeg. Hoe populistisch kan je het hebben? Of het nationalisme van diezelfde Troelstra tijdens de Eerste Wereldoorlog.

Leersen had zich beter moeten inlezen, dan had hij bijvoorbeeld de publicatie van emeritus hoogleraar Piet de Rooij kunnen lezen: Brieven aan Job Cohen uit 2010: ‘Ooit gold de sociaaldemocratie als een populistische beweging bij uitstek’. Een aanrader.

 
O, ja er is een
website van het project Encyclopedia of Romantic Nationalism in Europe waar Leersen aan meegewerkt heeft. Het staat bekend als ERNiE. Hoe serieus neem je jezelf met dit acroniem?

Marten Buschman



Blog 85, 12 juli 2016

Congres van Steeds Voorwaarts 1893

Voorbeschikt?

Geschiedenis is een belevenis, waarbij zij zich als een slang in haar eigen staart bijt. Zo voel ik me bij het zien, bij het herwaarderen van deze foto. Het is niet zo maar een foto. Het is de foto van de socialistische spoorwegvereniging Steeds Voorwaarts.

Het is een van de verenigingen waaruit na de eeuwwisseling de grote spoorwegvakbondsorganisaties ontstaan zijn. Hoe nauw Steeds Voorwaarts verbonden waren met de sociaaldemokratie bleek wel uit het feit dat de redactie van het blad De Seingever als die van het SDB-blad Recht voor Allen op hetzelfde adres gevestigd was: Roggeveenstraat 58 te Den Haag. Ook de kopstukken van de SDB schreven in dat blad, zoals Christiaan Cornelissen, nog onder pseudoniem Clemens. En de onderwerpen waren duidelijk socialistisch getint.

De foto laat een aantal mensen zien met hun banieren, die duidelijk maken dat we te maken hebben met deze vereniging Steeds Voorwaarts. De foto is afgedrukt in het gedenkboek Van Lichten en Schiften met onderschrift ‘een congres van Steeds Voorwaarts’. Datering en plaats ontbreken. En er is ook geen enkele vermelding van wie de aanwezigen zijn.

Van het origineel was tot het begin van de jaren tachtig geen spoor te vinden. Toen was ik voor de zoveelste maal in het pannekoekenhiusje aan het begin van de Prinsengracht. Een prachtige foto viel mij op: inderdaad het origineel. Aan de serveerster vroeg ik of ik die foto mocht kopen, voor een klein bedrag hoopte ik. Dat mocht een paar dagen later van de baas. Voor vijfentwintig gulden was ik de eigenaar. Op naar het IISG naar Wim van der Linden, hoofd fotoafdeling. Hij bood direct honderd gulden en een afdruk. Die heb ik nog.

Schrijvend aan de passage over Van Kols activiteiten in Zwitserland tijdens het congres van de Tweede Socialistische Internationale in 1893 bleek dat hij ook actief was in Steeds Voorwaarts, vooral als initiator van een Europese bijeenkomst van nationale verenigingen van spoorwegarbeiders. En hij was aanwezig bij de jaarlijkse bijeenkomsten na 1892.

Zou hij op de foto staan? Er zijn geen foto’s van hem bekend uit die tijd. Toch herkende ik Van Kol direct. Hij was begin veertig: in dezelfde tijd liep hij aan het hoofd van een troep socialisten ’s nachts door Amsterdam liederen zingend, achtervolgd door het hoofdstedelijk Gezag. Op het congres, waarschijnlijk te Meppel in 1893, kijkt hij wat serieuzer.

Merkwaardig. Ik kan niet anders concluderen dan dat ik voorbestemd was om over Van Kol te schrijven.

Marten Buschman

Blog 84, 17 juni 2016

Anna en Anton Pannekoek

Tussen melkweg en arbeidersraad

Anton Pannekoek was een bijzonder mens. Een astronoom, die een permanente rol speelde bij het openbreken van het beperkte ‘melkweg is het universum’- model. En een marxistische raden-communist, die vanaf de zijlijn vele autoritaire socialisten, zoals de Nederlander Troelstra, de Oostenrijker Kautsky en de Rus Lenin, zeer terecht bekritiseerde. Op het KNAWsymposium ‘Anton Pannekoeks visie op wetenschap en maatschappij’ ging het over de vraag of de visie van Pannekoek op het universum en de maatschappij dezelfde was? De drie sprekers, Van den Heuvel, Smith en Voerman, waren het wel eens met deze stelling, ieder op eigen wijze invulling gevend. Van den Heuvel en Smith gaven een mooi inzicht in de vragen van de sterrenkunde van 1890 tot 1940. Was het melkwegstelsel het gehele universum en waren de nevelachtige structuren, waarvan we nu weten dat het ook melkwegstelsels zijn, interne onderdelen van ons stelsel? Pannekoek wees de uitweg door zijn nadruk om de bestaande theoriën los te laten. Zijn aanpak was om vanaf onderaf met waarnemingen een nieuwe theorie op te bouwen. Pannekoek was zeer succesvol: door zijn toedoen begon de astronomie ná 1945 met een frisse start.

Minder succesvol was deze methode in de maatschappij om de bestaande structuren af te breken en daarna de maatschappij opnieuw te beginnen vanuit de samenwerkingsverbanden van de werkers in de bedrijven, de arbeidersraden. Dat was m.i. te veel gebaseerd op Marx’ zinsnede dat de revolutionaire Commune van Parijs geprobeerd had de staatsmachine voor haar eigen doel in gang te zetten in plaats van deze af te breken. Pannekoeks rationeel handelen was goed voor de analyse van het universum, maar niet voor die van een maatschappij. Kautsky bijvoorbeeld vond het maar niets dat alles afgebroken diende te worden. En velen met hem. Het radencommunisme is klein, zeer klein gebleven. Eén bezoeker zag evenwel dat er misschien kans was voor een hernieuwde belangstelling voor de opbouw van deze ‘van onderop’-raden. Ik denk zelf dat Pannekoek de analyse van de maatschappij te veel vanuit een theoretische invalshoek van Marx beschouwde in plaats van echt onbevangen te analyseren.

Speelt emotie en onredelijk handelen een rol in Pannekoeks leven? Het lijkt of de drie sprekers er vanuit gaan dat het leven van Pannekoek vanuit de rationaliteit beschreven kan worden. En of emotie, zoals verliefdheid, geen rol speelt. Zijn ze getrouwd om rationele reden? Om die emotie te zien is het nodig concreter het leven van Pannekoek te bezien. En dan blijkt dat emotie en onberedeneerde gevoelens (het Engels heeft daar het mooie woord ‘visceral’ voor) er uiteraad wel zijn.

Enno Endt en ik hebben de beide kinderen, Ton en Anneke, in de zomer en het najaar van 1987 geďnterviewd over hun herinneringen aan Herman Gorter. Zijdelings kwam ter sprake dat hun ouders een keer fikse ruzie kregen over het feit dat Anna op recept van haar ouders een pudding met een vleugje witte wijn had ge¬maakt. Dat mocht niet van Anton; ze waren immers geheelonthouder. Dat was één van de weinige (of zelfs de enige) ruzies die dochter Anna zich kon herinneren.

De familie Pannekoek woonde een tijdje in Bussum in de nabijheid van Gorter. De kinderen liepen vaak naar Wies en Herman toe. Het nabijgelegen ‘arbeiderslaantje’ moest van de ouders gemeden worden. Ze waren immers nette kinderen.
Het maakt Anton Pannekoek des te menselijker.

Marten Buschman

Blog 83, 30 april 2016

In 2032 geen: zestienhonderd, slag bij Nieuwpoort

Ik heb er jaren over moeten doen om er achter te komen dat deze slag niet had plaatsgevonden bij een dorpje in Zuid-Holland maar bij een stedeke aan de Westvlaamse kust. De context van de slag ontbrak eigenlijk en waarschijnlijk werd de slag genoemd en door iedereen onthouden vanwege het mooie ronde jaartal.

Afrekenen met 1600 heette een boek van de Vereniging van Geschiedenisleraren van ruim veertig jaar geleden (houd mij niet aan het jaartal!). Jaartallen zijn niet onbelangrijk. De dappere strijders tegen de geschiedenis willen graag horen dat die er niet toe doen. Het lijkt me onzin. In het historieloze universum van de mediawereld is het van geen belang wanneer er algemeen kiesrecht werd ingesteld in Nederland. Wanneer de zedelijkheidswetgeving, waarbij homoseksuele handelingen strafbaar werden gesteld, er werd doorgeduwd door een zekere Regout. Wanneer deze zedelijkheid dan weer is ingetrokken, ook interessant. De precieze jaren van de bezetting door de Duitsers, die als bij toverslag “nazi's” gedoopt zijn achteraf, zou toch ook wel goed zijn om die te weten. Of de jaren verbonden aan de onafhankelijkheid van Indonesië, Suriname en Nieuw-Guinea. En ik houd het nu maar bij enkele voorbeelden uit de twintigste eeuw, maar eigenlijk is die zelf allang weer een vervelende rij van honderd jaartalletjes.

Wethouder van onderwijs te Amsterdam, Kukenheim, D66, vindt het belangrijk dat men "21th century skills" leert op school. Men kan hieruit al afleiden dat haar kennis van de Engelse taal niet denderend is. Of die van de stagiair(e) die haar woorden heeft opgetekend. Paul Schnabel, voorzitter van de commissie die de weg leidt naar het onderwijs voor 2032, over de kennis van journalisten: "Geschiedenis is geen verplichting meer, nee, maar aan alle journalisten en critici die mij de vraag voorleggen of dat niet kwalijk is, vraag ik wanneer Willem de Derde regeerde. En Willem de Tweede? U weet het niet? Mijn ervaring leert me dat wanneer je iets niet nodig hebt, je het vergeet." Geen journalist die het benul had te vragen: de stadhouders? De koningen? De graven van Holland – wie wilt u hebben? Om het even bij het huidige Nederland te houden.

Ach, Schnabel weet zelf waarschijnlijk niet eens waar hij het over heeft. Heel misschien weet hij het oprichtingsjaar van de partij waarvoor hij in de Eerste Kamer zit. Jaartallen, denigrerend gedegradeerd tot verkleinwoord, wie stelt ze ter discussie? Uit de Volkskrant, voorheen dagblad voor het katholieke volk van Nederland. "Het wordt minder belangrijk om jaartalletjes te weten; we richten ons meer op het leren van de samenhang tussen bepaalde gebeurtenissen. Het is een brede aanpak; aan de hand van de geschiedenis van de kolonisatie en dekolonisatie kun je bijvoorbeeld ook veel leren over economie en handel." Zegt de socioloog en klinisch psycholoog Schnabel, die nog bij de NVSH gewerkt heeft en dus een van de bovenstaande vragen over de zedelijkheidswetgeving wellicht zou kunnen beantwoorden. Maar nu is hij naast directeur van het Sociaal Cultureel Planbureau commissaris bij de Shell. En onwetendheid is macht en omgekeerd – sinds wanneer zou hij eigenlijk iets van het vak geschiedenis moeten weten?

André de Raaij 

Blog 82, 1 april 2016

Historieloos

Een commissie heeft onlangs een advies afgegeven aan de staatssecretaris die klaarblijkelijk over Het Onderwijs gaat – het onderwijs voorzover het niet “hoger” wordt genoemd. Voor dat laatste is er voormalig kraakster Jet Bussemaker, van die andere coalitiepartij, al moet je dat tegenwoordig eigenlijk WETEN want de verschillen zijn niet eens meer cosmetisch te noemen.

De commissie is genoemd naar de voorzitter, D66-lid van de Eerste Kamer Schnabel. De commissie veroorlooft zich de hubris, anders kan ik het toch moeilijk noemen, alvast te bedenken wat er in 2032 onderwezen zal moeten worden. Ik citeer: “In het advies pleit de commissie voor een wettelijk vastgesteld kerncurriculum. Dit curriculum moet in ieder geval bestaan uit de vaste onderdelen Nederlands, Engels, rekenvaardigheid (inclusief wiskunde), digitale geletterdheid en burgerschap. Daarnaast zijn er drie zogenaamde leerdomeinen geformuleerd die de leerling van de toekomst in staat moeten stellen 'de wereld te begrijpen': Mens & Maatschappij, Natuur & Technologie en Taal & Cultuur.” Aldus de site Historiek.

Reken even terug: zestien jaar geleden, dachten er toen veel mensen aan de noodzaak van “digitale geletterdheid”? Veel langer hoeft men niet terug te gaan – mocht het antwoord bevestigend zijn – om holle onbegrijpende blikken te oogsten in dat verleden. Wat houdt burgerschap in, in 2032, waarom zou Engels nog zo verdomd belangrijk moeten zijn als waar het nu voor gehouden wordt (zeg ik als bepaald niet anglofoob, gehuwd met Engelse, dank u wel)? Je moet wel haast van een partij zijn die zijn oprichtingsjaar in zijn naam draagt zonder dit te willen weten, denk ik dan – maar Schnabel is alleen maar voorzitter – om dit te verwachten. Onderwijsvernieuwing is per definitie het voeren van de vorige oorlog – tegen weetgierigheid van kinderen of jongeren, die dient te worden ingesnoerd in het keurslijf van wat De Markt wil, in het algemeen. Er wordt gezegd dat de VVD studierichtingen “zonder baankans” gewoon maar helemaal wil opheffen, waarbij deze lieden ongetwijfeld denken dat bedrijfs- of bestuurskunde een eindeloze toekomst voor de boeg hebben.

Het Concrete, dat kennis van de geschiedenis vereist, zal hen inhalen, waarschijnlijk veel eerder dan ze hopen. Historieloos onderwijs – onderwijs waaruit de gedachte van wording verbannen is, ook al wordt door de commissie grootmoedig gesteld dat de historische dimensie van de diverse vakken natuurlijk wel aan bod komt. Eerlijk gezegd heb ik geen vertrouwen in mensen die moeiteloos bureaucratenklets verkopen als “kenniscurriculum” of “leerdomein”. Dat wordt niets. In het dagelijks opgelepelde vertoog in de opinie-industrie is de historische dimensie, juist dankzij de quasi-ingebakken vooronderstelling van een Verleden, al lang verdwenen. Wie zal op den duur niet schier ten dode vermoeid de term “onze joods-christelijke beschaving” maar laten passeren? Wie zal, om dichter bij eigen huis te blijven, nog willen ontkennen dat de afgelopen eeuw de eeuw van de arbeider was?

André de Raaij

Blog 81, 6 januari 2016

Boekverbanningen?



Verleden week werd Nederland opgeschrikt door een boekverbranding op de Dam in Amsterdam. Geheel Nederland? Neen, de massaorganisatie van Doorbraak bleef pal staan: het woord neger is racistisch en dus spraken ze zich niet uit. De rest van Nederland, van Krapuul (‘altijd onacceptabel’) tot The Post Online (‘Negergate’) vond het maar niets.



Het lijkt een trend, boekverbrandingen in de bibliotheekwereld. Pardon, boekverbanningen, toch. Ja, zover is het nog niet: verbanningen van boeken uit de catalogi en bibliotheken. Wat is het geval? Bij toeval ontdekte ik dat mijn boek Revolutie en Modernisme over het NAS niet meer in de catalogus van de Universiteitsbibliotheek van de UvA staat. Navraag leerde me dat het boek “uit de collectie (is) genomen bij de verhuizing naar de nieuwe bibliotheek op het Roeterseiland, het Library Learning Centre.” De informatiespecialiste van de bieb, naar wie ik doorverwezen werd, schreef dat het niet zomaar gebeurd was. De reden voor de verbanning van de boeken was het ruimtegebrek doordat “prioriteit werd gegeven aan studieplekken voor de studenten. Dit ging ten koste van de beschikbare ruimte voor de bibliotheek. Gevolg was dat we van de Bushuis- en Piersonbibliotheek (…) de collectie moesten terugbrengen van gezamenlijk ca. 80.000 banden naar ca.12.000 banden.” Dat is nogal wat, maar hoe doe je dat? Op die vraag gaf ze het volgende antwoord: “Dit hebben we gedaan door: papieren boeken te vervangen door eBooks (indien mogelijk uiteraard); boeken uit ons bezit die al elders bij de UvA aanwezig waren te verwijderen; boeken die de laatste 3 jaar niet waren uitgeleend, maar uniek zijn te verplaatsen naar het IWO (magazijn); boeken die de laatste 3 jaar niet waren uitgeleend en waarvan meer dan 2 exemplaren in NL aanwezig zijn, af te stoten.”  



Bijna zeventig duizend boeken weg uit de catalogus. Een snelle en beperkte blik op de overgebleven boeken leerde me dat er veel vragen over blijven. Heeft het boek van Evert Bultsma over het Nederlandsch Syndicalistisch Vakverbond, dat gehandhaafd werd, wel aan de voorwaarden voldaan, is het met andere woorden wel een keer uitgeleend in de afgelopen drie jaar? Daarnaast had ik andere vragen. De belangrijkste: “hoe hebben de bibliotheekmedewerkers tachtigduizend boeken bekeken of zij uit de collectie verwijderd konden worden. Rekent u even met mij mee: tien minuten per boek is - snel uitgerekend - ongeveer 1675 dagen, gedurende dagen van acht uur. Dat is zeven manjaren aan werk. Ik ben benieuwd hoe u dat georganiseerd heeft.” De vraag naar het hoe heb ik op 9 oktober voorgelegd aan de baas van de informatiespecialiste, de heer G. Köhler (g.h.j.kohler@uva.nl). Tot heden niets gehoord.



Ik denk eigenlijk dat ze gewoon hele stellingen weggedaan hebben.

De verbanning van de zeventig duizend boeken is helaas geen uitzondering. Op zoek naar de verslagen van de conferenties rondom de Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid in 1898 kwam ik via de Centrale Catalogus uit in Haarlem bij de openbare bibliotheek. Het stond wel in de catalogus, maar de twaalf kloeke delen waren weg. Hoe dan? Nou zei, de dienstdoende medewerker: "dat weten we niet, het is gebeurd door de vorige directeur." En de medewerkers, die het ‘schonen’ verricht hadden, hadden hun hielen gelicht. 

Wat er met die zeventig duizend boeken uit de Amsterdamse wetenschappelijke bieb is gebeurd? We zouden het graag te weten komen: verkocht, opgeslagen, verbannen naar Siberië of gewoon in het geheim verbrand?

Marten Buschman

Blog 80, 31 december 2015

Hoog Bezoek

Jawel hoor, een hagelwitte wagen, op de seconde nauwkeurig aan de overkant van de straat. Het tweetal dat uitstapt oogt ietwat onevenwichtig, zij het opvallend kordaat. De struise vrouwelijke helft van het duo wordt geflankeerd door een kleine, kwieke baas met een twinkeling in de ogen en beiden schrijden in een strakke diagonaal naar mijn nederige pand.

Hoewel tevoren terdege door mij gewaarschuwd en geďnstrueerd, staan ze toch bedremmeld en hulpeloos in de deuropening, geconfronteerd met het rondtollende en hoge kreetjes slakende trouwe viervoetertje dat overduidelijk geen enkel ontzag heeft voor leidslieden van de 'media'. Mijn geruststellende bezwering, u oefent een merkbaar kalmerende invloed uit op het beestje, vermag de bezoekers niet te overtuigen, al slagen ze er tenslotte in de voorbeschikte zetels te bereiken.

Versnaperingen, warme en koele dranken binnen handbereik, een gerieflijke temperatuur er gratis bij, het hondje afgekoeld, zodat alle condities voor een genoeglijk gesprek geschapen zijn. De kwieke baas, die zich naar verwachting voorstelt als Kees Driehuis, blijkt overduidelijk de vragen stellende leidspersoon. Zijn notulerende bijwagen en, naar mij eerst naderhand duidelijk wordt, levenspartner weet af en toe een rake observatie te lanceren die overigens niet getuigt van grote sympathie voor  de gastheer: "Hier snap ik helemaal niks van, maar dat zal wel komen omdat ik een vrouw ben".

In de voortkabbelende conversatie komen vele aspecten van een te maken televisieserie over de Nederlandse arbeidersbeweging aan de orde. Speciale belangstelling blijkt uit te gaan naar 'mijn onderwerp', de partijstrijd in de SDAP leidend tot het schisma van Deventer uit 1909, zozeer zelfs dat mij om een gratis exemplaar wordt gevraagd van mijn dissertatie. Deze wordt, op nadrukkelijk verzoek voorzien van een opdracht van mijn hand, plechtig  overhandigd. Enigszins tot mijn verbazing, men heeft met deze bezoekers toch niet van doen met revolutionair-socialisten, blijkt ook zeer speciale interesse te bestaan in het bezoek van Karl Marx aan het Congres van de Eerste Internationale te Den Haag in 1872. Ik word zelfs aangesproken als de meest prominente Marx-kenner van Nederland, iets wat ik ogenblikkelijk afwimpel, al ben ik wel zo vriendelijk naderhand een informatief artikel op te sturen over het bedoelde bezoek van Marx. Af en toe lanceer ik een kwinkslag die een dankbaar onthaal vindt, met uitzondering van grappen over de PvdA die in ijzige stilte worden geďncasseerd.

Maar de sfeer is vriendelijk en ontspannen en men lijkt in hoge mate ontvankelijk voor de mij aangedragen informatie. Wanneer na enkele uren de aftocht wordt geblazen en beide bezoekers, opnieuw geflankeerd door het rondtollende hondje, met enige inspanning het pand hebben verlaten ben ik ervan overtuigd dat in de te produceren serie zowel 'Deventer' als 'Marx' zullen worden opgenomen. In de vele maanden die volgen hoor ik evenwel helemaal niets, ook niet op het door mij verzonden Marx-artikel, en ik informeer tenslotte dan maar naar de stand van zaken rond de serie. Kees Driehuis reageert met een niet bepaald van interesse bol staande boutade, onder meer blijkend uit het kreupele taalgebruik en het uiten van vermoedens waar men zekerheden verwacht: "Het spijt mij zeer dat u blijkbaar sinds onze prettige en nuttige gesprek niets meer van ons vernomen hebt. Ik dacht dat wij indertijd een email hebben gestuurd aan alle historici die wij bezocht hebben over de voortgang van het project". Op mijn vraag om nadere informatie heet het vervolgens: "Wij hebben keuzes moeten maken en dat betekent dat wij mensen hebben moeten teleurstellen. Daar heb ik u in alle eerlijkheid over bericht". Ik reageer vanzelfsprekend met de mededeling nooit ook maar een snipper, eerlijke dan wel oneerlijke, informatie te hebben ontvangen en met het vriendelijke verzoek mij alsnog het bedoelde informatieve bericht te doen toekomen. Sinds dit verzoek, dat van 27 oktober dateert, heb ik niets meer mogen vernemen. Wel is mij inmiddels gebleken dat 'Deventer', of welk ander SDAP-congres dan ook, in de serie geheel en al ontbreekt en dat Marx niet Den Haag blijkt te bezoeken, maar Zaltbommel alwaar hij, volgens de aangetrokken Marx-kenner, in variërende snelheden wandelend rond een grote tafel, het hele eerste deel van Das Kapital zou hebben geschreven.

Tja....                                                                                                                                        

De eindopbrengst van het pandemonium blijkt al met al het verlies van alweer een illusie en de ontvreemding onder, toegegeven, listige voorwendsels van een niet alleen volumineus maar zeer zeker ook duur boek.

Henny Buiting

Blog 79, 16 december 2015

Vergeten Volksverheffers in beeld

In Utrecht presenteerde Christianne Smit op een Universitair symposion haar jongste boek. Het onderwerp: de Volksverheffers rond 1900, mensen die zeer praktisch verbeteringen aanbrachten in de slechte situatie in steden van arbeiders en werklieden. Die Volksverheffers richtten onder andere buurthuizen op, waar arme stedelingen konden kennis maken met kunst, cultuur en waar zij hun vaardigheden konden ontwikkelen om hun positie te verbeteren. Tegelijk deden zij iets aan verbetering van de woonsituatie in de stad, vooral in gribusbuurten, zoals de Jordaan in Amsterdam.

Het was een mooie gebeurtenis. Niet alleen omdat deze volksverheffers uit de vergetelheid zijn gehaald, maar ook en vooral de wijze waarop Christianne het verhaal vertelde en beschreef. In haar toespraak haalde zij twee bekende, Mercier en Van Marken, en twee onbekende verheffers, professor Pieter Pel en Johanna ter Meulen, naar voren. Vooral de laatste speelt een grote rol in de Amsterdamse verhefferswereld. De Professor hield in 1902 zijn Diesrede om studenten en docenten eubiotiek aan te prijzen. Eubiotiek is de kunst om gezond en gelukkig te leven. Dat Pel dat deed in een meestal aan andere zaken gewijde rede is opvallend. Blijkbaar had de tijdgeest van verheffen ook hem te pakken gehad. In haar toespraak sprak Christianne het woord uit als eu-biotiek. Ik denk dat het woord, dat al in 1847 geattesteerd is en niet plotseling door Pel gebruikt werd, uitgesproken wordt als ui-biotiek, zoals ook bij euthanasie en eugenetica. Een klein punt van kritiek dus.

Ter Meulen was een woningopzichteresse, die met geld van een sponsor, een rijtje betere huizen verhuurde aan Amsterdamse arbeiders, wekelijks geld ophaalde en tegelijk de bewoners beschaving bijbracht. En daardoor zorgde zij en al die andere opzichteressen voor een betere woonomgeving en droegen dan ook bij aan een betere wereld. Dat de verheffers zich vaak naast gedrevenheid paternalistisch, overdreven idealistisch en humorloos gedroegen is door tegenstanders als de socialisten vaak aangegrepen om de verheffers belachelijk te maken. En geheel ten onrechte. Vele zaken, die wij nu als geheel normaal beschouwen in onze huidige maatschappij zijn terug te voeren op projecten van deze verheffers.

Vrouwen als Mercier, ter Meulen en ook de Engelse Octavia Hill produceerden stukken, die nu nauwelijks zonder een knipoog uitgesproken kunnen worden. Christianne sprak ze wel uit, maar ze keek daarbij alsof ze een naaktslak doodgeknepen had en zich dat langzaam realiseerde.

De vrouwen Helene Mercier en Johanna ter Meulen werden geďnspireerd door de Engelse Victoria Hill en Arnold Toynbee. Internationale contacten waren er op vele manieren. Desondanks waren er geen organisatorische verbanden, ook niet op nationaal niveau. Wel functioneerde het blad Het Sociaal Weekblad als discussieorgaan en netwerk. De concurrerende socialistische clubs, die vaak dezelfde verbeteringen wilden doorvoeren, waren beter internationaal en nationaal georganiseerd. En hebben daardoor in de geschiedschrijving meer aandacht gekregen. En tegelijk zijn de grote successen van de volksverheffers, ook al omdat ze overgenomen door de plaatselijke en nationale overheid na 1914, daardoor in de vergetelheid geraakt. Door de publicatie van De Volksverheffers. Sociaal hervormers in Nederland en de wereld 1870-1914 zijn we nu in staat te bekijken hoe belangrijk de volksverheffers waren.

Marten Buschman

Blog 78, 2 december 2015

Het NAS voltooid verleden

Afgelopen vrijdag promoveerden Piet Hoekman en Jannes Houkes. En wel op het revolutionaire Nationaal Arbeids-Secreteriaat, de vakcentrale, die bestond van 1893 tot en met 1940. Het NAS heeft nooit veel leden gehad, maar wel veel aandacht door de vele stakingen en acties van de leden en bestuurders. Spraakmakende figuren als Christiaan Cornelissen, Gerrit van Erkel, Jan van Zomeren, Harm Kolthek, Bertus Bouwman, Ab Menist en Henk Sneevliet bepaalden het imaasje van het NAS. In de jaren zeventig was er ook veel aandacht voor het NAS in de hausse van onderzoeken naar de arbeidersbeweging in de universitaire wereld. Zelf was ik betrokken bij het onderzoeksproject van Johan Frieswijk - van 1974 tot ne met 1976 - op het Documentatiecentrum Nederlandse Geschiedenis. Vanuit die werkgroep publiceerden leden artikelen en een boek van mij, Tussen Revolutie en Modernisme, dat alweer dateert van 22 jaar geleden.

Hoekman en Houkes hebben de gehele periode beschreven en geanalyseerd. En daar ben ik blij om. En ook: ik heb genoten van de uiteenzettingen tussen de beide promovendi  en de leden van de promotiecommissie. Het was alsof ik weer in 1975 in de 'Bruine Zaal' van het IISG zat, waar veel commentaren en opmerkingen geplaatst werden bij werkstukken van de werkgroepsleden. Dezelfde kanttekeningen plaatsten de hooggeleerde professoren veertig jaar later bij het proefschrift. Hoe vermijd je de valkuil van ouderwetse organisatie- en zelfrechtvaardigingsgeschiedschrijving? Hoe representatief is het materiaal voor het gedachtegoed van de leden? Wat zijn de internationale connecties? En een vraag die we toen niet stelden: wat zijn de overlevingsstrategieën van arbeiders? Op de vraag naar de beleving van de leden, die Erik Nijhof stelde kwam helaas weinig weerwerk. Afgaande op de uiteenzettingen daarna staan nog vele vragen open. Bij voorbeeld ook een kenmerk van het NAS: de onafhankelijkheid. Die kwam niet aan bod. Helaas. Want ik vind dat nog steeds een wezenskenmerk van het NAS, zoals het was.

Acht honderd pagina's over 47 jaar. Het lijkt veel aandacht voor een kleine organisatie. Gezien de vele activiteiten van de leden is het weer niet zoveel. Het boek was helaas nog niet te koop. Een snelle blik in het exemplaar van een van de gelukkige bezitters lijkt de stelling gewettigd dat Hoekman en Houkes vooral de primaire bronnen gebruikt hebben en zich minder in discussie hebben gemengd met de vele schrijvers over het NAS. Zoals artikelen van Bert Altena ('Leve het syndicalistische NAS') en van Dick de Winter en mij ('Het syndicalisme in Nederland: to syn or not to syn'). Maar dat is een voorlopige opmerking. We kunnen alleen maar tevreden zijn dat het NAS nu in zijn geheel beschreven is.

Is mijn boek boek over de eerste jaren van het NAS overbodig? De beslissers van de bibliotheek van de UvA denken van wel. Zij hebben, proactief als ze zijn, in 2014 het boek verwijderd uit de catalogus van de UBA. Met acht en zestig duizend anderen. Dat dan weer wel.

Marten Buschman

Blog 77, 25 november 2015

Carl Doeke Eisma

Een reactie op: De Nozem en De Strijd.

Omdat ik Arno Bornebroek alleen als redactielid van Onvoltooid Verleden ken en omdat ik graag wil weten met wie ik van doen heb ben ik vriend Google gaan raadplegen. Ik lees onder meer dat hij historicus is en zo'n 12 boeken heeft geschreven en dat zegt wel wat! Reden te meer om me te verbazen over zijn mening over de VARA serie met de titel De Strijd. Hoewel hij er zich kennelijk op verheugd had is hij niet verder gekomen dan deel drie van de tien afleveringen. En waarom dan wel?

Ik volg zijn betoog.

Hij gaat er bij voorbaat al vanuit dat hij er inhoudelijk niet veel van zal opsteken omdat hij historicus is en dat geeft te denken. Dit zou ik over mijn specialiteit, de reformpedagogiek, niet durven beweren. Ik word nog steeds verrast,  Hij had gehoopt op een originele invalshoek, maar helaas. Het feit, dat al die gegevens en dat zijn er nogal wat met behulp van een bromfiets aan elkaar gereden worden vind ik een vondst. Zo komt er een beetje vaart in die soms wat stroperige materie. Dat deze bromfiets bereden wordt door een Twentse nozem stoort hem kennelijk. Een nozem is al erg, maar een Twentse spant kennelijk de kroon. Overigens vraag ik me af waarom hij meent met een nozem te maken te hebben. Ik zie hier meer een acteur die zijn rol goed speelt. Hij stelt meestal de juiste, wat simpele vragen, zodat diegene die antwoord moet geven de ruimte krijgt al wordt hier helaas niet altijd gebruik van gemaakt. Uitgaande van de gemiddelde intelligentie van TV kijkers zit hij zeker op het goede spoor. Het gedeelte waarin de bromfietsrijder zijn kind aankleedt - ik ga ervan uit dat het inderdaad om zijn eigen kind gaat - geeft iets menselijks aan de serie.

Arno vraagt zich aan het eind af of het gemiddelde kijkersgezin naar een dergelijke serie wil kijken. Moeder kijkt liever naar een soap volgens hem. Welnu, als dit geen soap is. Hij eindigt positief door te stellen dat het aantal kijkers meer is dan de oplage van een boek over dit onderwerp. Dit aantal is veel meer. Hij vergeet de mogelijkheid van uitzending gemist. Min of meer op dezelfde tijd wordt Homeland uitgezonden en dat was voor mij voldoende reden om De Strijd later te bekijken.

Kortom, jammer dat juist een historicus zo reageert. Een groot deel van deze serie wordt door vakbroeders en -zusters van hem gedragen. Die zullen zich heus wel afgevraagd hebben of het niveau van deze serie acceptabel is. En om ook positief te eindigen: de verwijzing naar het lied van Cornelis Vreeswijk, De nozem en de non, vind ik knap gevonden, aangenomen dat dit het geval is. Nu ik dit zo opschrijf bedenk ik me dat ik aardig in het spoor van het verhaal dat er boven staat over Molle Eisma getreden ben. Het ontwikkelen van arbeiders en ander volk kan nog steeds geen kwaad.

Blog 76, 6 november 2015

De Nozem en De Strijd

Na drie afleveringen ben ik gestopt. En dat is jammer, want ik had mij verheugd op de tiendelige VARA-serie over de arbeidersstrijd. Dat ik er als historicus inhoudelijk niet veel van opsteek, is geen bezwaar. Van de meeste boeken over geschiedenis is mij de inhoud doorgaans ook wel bekend. Maar ik laat mij graag verrassen door een originele invalshoek of interessante analyse. Dat blijft helaas uit. Natuurlijk heeft de VARA het recht terug te blikken op haar (verloren) sociaaldemocratisch verleden, maar het was genereuzer geweest de arbeidersstrijd in een breder kader te plaatsen. Ook sociaalliberalen, katholieken en protestanten hebben hun bijdrage geleverd. De opvatting van de VARA dat de arbeidersstrijd beperkt is tot de Nederlandse sociaaldemocratie doet wel heel ouderwets en gedateerd aan.

Het voor de televisie toch belangrijke beeld komt er ook bekaaid af. De kijker die zich wil verlekkeren aan mooie oude historische opnames wordt teleurgesteld. Zijn er geen oude beelden genoeg of was er niet voldoende geld voor degelijke beeldresearch? Een groot deel van de tijd gaat op aan een Twentse nozem die op een bromfiets door het land trekt om stickers te plakken op historische gebouwen en monumenten. En als hij niet plakt dan praat hij met ooggetuigen of historici. Veel levert dit niet op. ‘Waarom staken de arbeiders?’, is de onnozele vraag van de nozem aan een deskundige, die zich op zijn beurt onthoudt van een poging niveau aan te brengen met het antwoord: ‘de arbeiders waren ontevreden’. Goh, zou het? Het is dit niveau, dat niet boven groep 8 van de basisschool uitreikt, dat de Strijd kenmerkt.

Deze dialoog is terug te vinden in het tweede deel dat over stakingen gaat. We zien hier hoe de nozem een baby een rompertje aantrekt (ja, echt!). Deze scene is bedoeld als spiegelbeeld voor het schilderij dat hij de rest van de uitzending achterop zijn bromfietsje meezeult en dat het dilemma weergeeft tussen solidariteit (staken) en zorg voor het gezin (onderkruipen). In tegenstelling tot het schilderij draagt het rompertje verwisselen niet bij aan het begrip van de dilemma’s die bij staken opkomen. Het zijn overbodige fratsen die ongetwijfeld verdedigd worden met argumenten over de toegankelijkheid van het program. Zo bereiken we een groot publiek. En zo zien we de Twentse nozem bij mama op bezoek met vragen over papa en de textielindustrie en laat hij op de Groningse akkers een bommetje ontploffen (woh, te gék man!)

Zou het nu echt zo zijn dat hiermee een kijkersgezin getrokken wordt? Moeder die zegt, ik wil vanavond die leuke Twentse nozem weer zien, en vader, nadat hij de krant heeft weggelegd, ja, interessant en boeiend die arbeidersstrijd. En de kinderen sluiten zich met fris gewassen haren aan. Ik denk het eerlijk gezegd niet. Met een marktaandeel van 5,4% en iets meer dan 400.000 kijkers op primetime vrijdagavond gaat het er anders aan toe bij het kijkersgezin. Moeder kijkt naar een soap, de kinderen zitten op de ipad en vader leest de krant.

Maar laat ik positief eindigen. Ik ben dan wel afgehaakt, maar honderdduizenden niet. Welk boek over de arbeidersstrijd kan op zo’n oplage rekenen?

Arno Bornebroek

Blog 75, 12 mei 2015

De Buisse Heide met de Angorahoeve

De Buisse Heide, een Herinneringsplaats?

De Buisse Heide in het zuiden van Noord-Brabant kan je wel als een plaats van herinnering aanmerken. Lieux de memoires: het concept van Pierre Nora om geschiedenis te schrijven.

De Buisse Heide, sinds 1945 bezit van Natuurmonumenten, heeft een unieke natuurlijke afwisseling van heide, bos, ven, boeren en bewoners. En van verandering door de eeuwen heen. Maar de herinneringsplek ontleent de Buisse Heide vooral aan de zomerse aanwezigheid van Rik en Henriette Roland Holst en op hun uitnodiging vele beroemde vrienden, zoals socialisten als Herman Gorter, Hendrik de Man, Karl Kautsky en kunstenaars en schrijvers als Charley Toorop, Arthur van Schendel en Top Naeff. Voor scans van het bezoekersboek zie hier.

Rik en Henriette, beiden waren geboren in zeer bemiddelde families, met grond via Henriettes moeder. Henriette was beroemd vanwege haar poezie en (religieus) socialistische en communistische sympathiën en vooral activisme. Beroemd in haar eigen tijd, nu nog vanwege de biografie van Elsbeth Etty. Henriettes poezie ‘is even passé als haar communisme’, schreef Willem Otterspeer in zijn lovende recensie. En zo is dat! Neemt niet weg dat Natuurmonumenten een mooi initiatief heeft genomen om langs de speciaal aangelegde route door de Buisse Heide teksten van Henriette op te nemen. Althans dat dacht ik in eerste instantie.

Voor het eerst in mijn leven heb ik eind april de Buisse Heide bezocht, met mijn geliefde. En het was de moeite waard: ontspannen wandelen in de ontluikende natuur, de stilte ervarend langs  Henriette’s route. En ondanks dat we geen geluid van het moderne verkeer hoorden viel het niet mee, en wel vanwege de gedichten. Of de selectie daarvan. Want we lazen alleen maar ééndimensionale voorbeelden uit beroemde bundels als De Nieuwe Geboort (1903) en De Vrouw in het woud (1912). ‘Op de kentering der tijden geboren’ is de meest geciteerde regel uit de eerst genoemde, maar die was er niet op de hei. Op de borden naast het pad vooral jonge-meisjes-poezie met doffe beelden, overbodige bijvoeglijke naamwoorden en vooral simpele beschrijvingen van de natuur – geen gelaagdheid hoor ik Joost Zwagerman al zeggen -, de natuur die voor onze ogen stond te gloreren. Daar hadden we geen teksten voor nodig.

Er was één tekst, versje eigenlijk, dat opviel: één van haar gedichten uit 1884 als veertienjarige geschreven.

“Een heideliedje.

Ik zing als ’t vogeltje in de Mei,
  Zoo vrij
    Zoo blij,
Door niemand nog gevangen.
De plek, waar ’t heidebloempje groeit,
  En bloeit
    Vier ik mijn gezangen

De plek, waar ’t kabblend beekje vliedt,
  In ’t riet
    En ’t lied
De leeuw’rik zich doet hooren,
Niets, als ’t gegons ginds op de hei,
  Der bij,
   De stilte komt verstoren.

Daar slaap ik heerlijk en gerust,
  Gesust,
    Gekust,
Door zwoele zuidewinden,
Maar in ’t geraas der stad, daar is
  Naar ‘k gis,
    Geen rust voor mij te vinden.

Nog enkle dagen slechts, hoera!
   Dan ga
     Ik dra
Scheiden van duin en weide,
En ga ‘k weer droomen op het mos
  In ’t bosch
    En zwerven door de heide.”

Bijzonder vanwege de jeugd van de dichteres. En mijns inziens gelijk ook het hoogtepunt van haar oeuvre. Hoewel Henriette daarna nog veel geschreven heeft.
En of de Buisse Heide een herinneringsplaats zou kunnen worden. Ach, misschien wel.

Marten Buschman

Blog 74, 27 maart 2015

Herdenking De Ruyter een schande?

Het was maar een klein clubje, maar ja toch mensen met wie ik wel enige verwantschap voel. Die verwantschap lijdt echter op haar beurt wel aan enige slijtage en dat leidt weer tot afstand nemen.

Welk clubje heb ik het over. De groep Michiel de Rover, die rond de premičre van de film MICHIEL DE RUYTER de nodige stampij maakte. Hun belangrijkste punt was dat De Ruyter een verdediger van de slavernij was en deze 'zeeschurk' het daarom niet verdient om met eer en bewondering te worden herdacht en afgebeeld in een heuse rolprent.

De Ruyter is voor mij en veel generatiegenoten een zeeheld over wie we het liedje leerden dat hij in een blauwgeruite kiel aan het grote wiel draaide om later als man van vuur en staal de schrihihihihik der zee te worden. Dat kinderbeeld vermag vast en zeker enige nuancering, maar gaat het zelfs zo ver dat Michiel nog uitsluitend een verwerpelijke beschermheer van de slavenhandel is? Als voorbeeld noemt de actiegroep dat De Ruyter het eiland Gorée (Goeree) aan de kust van West Afrika op de Engelsen herveroverde in 1665. Daarmee maakte hij de weg vrij voor de slavenhandel vanaf dat eiland die rond 1670 begon. Maar is het daardoor uitgesloten om de beste man tot onderwerp van een speelfilm te maken?

De film gaat niet over de periode waarin De Ruyter als walvisvaarder, kaper en koopvaarder aan de kost kwam en een groot vermogen vergaarde. Net zomin als zijn eerste jaren aan het touwslagerswiel en zijn eenvoudige afkomst (zijn vader was zeeman en later bierdrager) worden uitgebeeld. De film begint in 1652 als de al behoorlijk gezette kapitein zijn grote liefde, de zee, weer kan bevaren. Nu in dienst van de Republiek. In die periode is hij inderdaad naar Afrika gevaren om daar Gorée terug te veroveren op de Engelsen.

Een aardig detail is dat hij tijdens die tocht een oude makker uit Vlissingen ontmoet, een Afrikaanse slaaf die door zijn vestiging in de Republiek vrij was, christen was geworden en de naam Jan Compagnie aannam. De blijdschap over de ontmoeting in Goeree laat zien dat De Ruyter misschien niet veel moeite had met slavernij maar in ieder geval geen racist was. In dit verband is de volgende beschrijving van de plaatselijke bevolking door een van De Ruyters kapiteins aardig: 'Het haer op 't hooft staet gants mismaeckt, sij smeere haer lijf met vet en stincke derhalve dat men daerbij niet duren mach, en lijke door haer mismaeckt weese meer nickers als negers'. Nikker hier in de betekenis van duivel en neger voor zwarte mensen uit Afrika. Maar goed, dat is een ander verhaal.

De Ruyter bevrijdde in zijn leven overigens duizenden slaven van moslims die er een handeltje in christenslaven (en tot 2007 overigens ook Afrikaanse slaven) op na hielden. In de biografie die in 1996 is geschreven door Ronald Prud'homme van Reine worden talloze van dit soort bevrijdingen vermeld. Maar dat ging uiteraard om Europese soortgenoten.

Uit beide omstandigheden, dat De Ruyter zich niet principieel tegen slavernij verzette maar hij wel veel slaven bevrijdde, kunnen we in ieder geval concluderen dat hij in die zin gewoon meehobbelde op wat toen steeds meer gewoon werd gevonden. Primair was hij zeeman die de Republiek beschermde tegen het buitenlandse gevaar. Wel wordt getoond dat hij het lef had om steun te betuigen aan Johan de Witt, dat weet u vast nog wel uit het schoolboekje, een van die broers die op gruwelijke wijze werd afgeslacht door het gepeupel dat door Orangisten opgestookt de Republiek van binnenuit bedreigde.

Aan heldenverering uit eigen kring doen we in Nederland niet vaak meer, dat laten we graag aan mensen uit andere landen over. Maar is het dan beter om iedereen met een smet volledig af te serveren zoals Michiel de Rover wil? Maar waarom de zeeheld dan alleen maar afrekenen op zijn mogelijke relaties met slavernij van Afrikanen? Waarom maakt men zich niet boos over de straffen die De Ruyter uitdeelde aan gedeserteerde matrozen. Dezen werden gelaarsd (afgeranseld met een dik eind touw), van de ra gegooid en gekielhaald. Een schandalige manier van omgaan met de voorouders van Nederlandse arbeiders. En waar is de vrolijkheid over de aan waanzin grenzende godvruchtigheid van de Admiraal?

Soms bekruipt mij weleens het gevoel dat sommigen er een dagtaak van maken om alles af te wijzen wat riekt naar enige bewondering voor diegenen die ooit aan de wieg stonden van de nationale staat. Maar dat weet ik niet zeker. Wat me wel duidelijk lijkt, is dat het geen zin heeft om mensen van eeuwen terug met onze maatstaven te beoordelen. Dan is het einde zoek, want vroeger dacht en leefde men nu eenmaal anders dan wij. Dat niet te erkennen of begrijpen noemen we met een mooi woord anachronistisch denken, maar opent de weg voor afwijzing van alle respect voor onze voorouders. Want er waren er maar weinigen in die dagen die de slavernij principieel afwezen, dat zou nog lang duren. En voor alle nog verder in de tijd teruggaande historische rolprenten, romans en gedichten resten dan alleen nog maar afwijzende portretten. Alexander de Grote, Ahmed Baba, Caesar, Perikles, Mohammed, allemaal lui die de slavernij in stand hielden en over wie dus geen positief woord mag klinken in een geromantiseerde film?

En pas op, er is nog een riskante valkuil. Wie weet bekijken de mensen uit de toekomst ons als gruwelijke barbaren omdat we andere levende wezens doodden om ze op te eten. Zou zomaar kunnen. Als die toekomsters denken als Michiel de Rover, dan zullen zij geen bewonderende films kunnen maken over Trotzki, Fela Kuti, Jan Marijnissen, Erasmus, en ga zomaar door. Hoe de leden van Michiel de Rover er in die toekomst vanaf komen weet ik niet; misschien zijn ze allemaal veganist?

Sjaak van der Velden

Blog 73, 17 maart 2015

Hans Ramaer (1941-2015)

Achtendertig jaar geleden verscheen het overzicht De piramide der tirannie – anarchisten in Nederland bij wat toen de Wetenschappelijke Uitgeverij heette. Een historisch overzicht met bloemlezing, van de hand van historicus Hans Ramaer, oprichter en drijvende kracht achter het tijdschrift De AS [de naam is een acroniem voor Anarcho-Socialist, iets wat in ieder geval niet in het eerste nummer is uitgelegd]. Er is wel wat “geschiedenis” bijgekomen sinds 1977 en zeker in de zin van veranderde inzichten of kijk op bronnen – het dient gezegd dat er ook weer niet zoveel belangrijke teksten van anarchisten in Nederland zijn bijgekomen. Het zou dan ook wel weer eens tijd zijn een nieuw overzicht te maken en als ik het wel heb was er sprake van een herziene heruitgave van “De piramide”. We weten nu dat Hans Ramaer er niet aan zal meewerken. Hij is 12 maart jongstleden overleden op 73-jarige leeftijd. Hij was al enige tijd ernstig ziek maar bleef bijna tot het einde gedreven schrijven en redigeren.

Zolang ik Hans persoonlijk gekend heb was er sprake van dat hij een biografie zou maken van de Nederlandse anarchist Piet Kooijman, Alarmist, man achter de gedachte “Neem en eet” en achter het idee van de de-klasse, het gebrek aan belang van het begrip klasse in de huidige tijd (van toen en misschien ook van nu). Met dit laatste heeft Kooijman zeker invloed gehad op Provo, een invloed die ook direct kon voortkomen uit zijn redacteurschap bij De Vrije, de voortzetting van Domela's Vrije Socialist zoals die in de jaren zestig verscheen. Een redacteurschap dat Kooijman met onder anderen Roel van Duijn en Hans Ramaer deelde. In plaats van die biografie is er het Piet Kooijman-nummer van De AS gekomen, nr. 189, tevens het laatste nummer onder eindredactie van Hans Ramaer en daarmee ook zijn laatste bijdrage aan de geschiedenis van het Nederlands anarchisme (2014).

Een geschiedenis die hij zelf belichaamde als redacteur van De Vrije, ook nog even toen dit blad in 1972 weer De Vrije Socialist ging heten. Hoewel hij het nooit expliciet heeft geschreven, of zelfs gezegd, moet onvrede over de koerswijziging die de oude nieuwe naam inhield een rol gespeeld hebben bij zijn plan een Nederlandse pendant van het Britse Anarchy te gaan maken. Diepergravende themanummers vanuit anarchistische visie – dit is De AS geworden en dat is het blad, ruim 42 jaar later, nog steeds. Het liber amicorum dat in de planning zat als een van de volgende nummers zal nu dan een herdenkingsnummer zijn. U verneemt het als het er is.

André de Raaij

Blog 72, 13 maart 2015

Hedendaags Trotskisme

“Papa, wat is dat een Trotskist?”, vroeg mijn dochter, toen zij ongeveer acht jaar oud was en in gezelschap verkeerde van historici die wilden weten bij welke groep ik hoorde. Daar zat ik dan: hoe leg je dat snel uit aan een kind. Een aanhanger van Trotsky, mompelde ik snel, net verstaanbaar. Maar ja, wat doen ze dan, die Trotskisten? Gelukkig ging het gesprek weer een andere kant op.

Afgelopen vrijdag kreeg zij – hoewel afwezig – dan toch een antwoord bij de presentatie van het boek over de Trotskistische beweging in Nederland, onder anderen die van de Vierde (Socialistische) Internationale. Er waren drie sprekers en geheel in tegenstelling tot de cultuur van het Trotskisme was er geen discussie en geen stemming. Alles verliep desondanks toch vrolijk en vriendelijk.

De eerste spreker sprak een paar minuten in de vorm van een column. Dennis Bos had in zijn actieleven een bijzondere verhouding met de leden van de Vierde Internationale. Eigenlijk altijd als tegenstander, eerst als horizontale communist en later als anarchist. En met name het anarchisme is geen beweging waar de Trotskisten blij mee zijn, laat staan opgewonden van worden, behalve in het negatieve. De scheldwoorden voor de anarchisten, die Dennis opsomde, waren fraai, maar laten we toch maar achterwege.

De tweede spreker was een van de schrijvers van het boek. Bart van der Steen richtte zich op drie punten van de geschiedenis: de vaak prachtige affiches met af en toe te veel tekst, de organisatiecultuur en taalgebruik. Wat het erfgoed voor het heden is, hoorden we later van mede-auteur Ron Blom.

Een aantal affiches heeft Bart in dit bestand verzameld. Hij zei ongeveer dat de affiches vaak heldhaftige arbeiders afbeeldden, die onverzoenlijk korte metten maken met kapitalisten en linkse en rechtse dictators. Franz Holsz en de radencommunist Gerd Arntz zijn daarbij bekende namen, die populair bleven tot in de jaren zeventig.

De poster op de omslag van het boek wijkt af van de normale agitprop voorstellingen. Bart daarover: “De prent is een houtsnede, in een warm kleur rood. Hij oogt daardoor ‘zachter’ dan de ‘harde’ zwart-witprenten die we zojuist zagen. De tekst is wellicht problematischer. “Voor de ver soc sowjetstaten van Europa” staat er. Dat is een hele mond vol. We vragen ons af, of het voor buitenstaanders duidelijk geweest is wat de Trotskisten daarmee bedoelden. En wat het verschil daarvan was tot bijvoorbeeld de Sovjet-Unie?” Aldus Bart. Of was dit een prefiguratie van het huidige Europa?

Het andere kenmerk: taal! Die was er altijd, en veel en ook nog zeer apart. Zoals Peter Drenth begin jaren vijftig merkte toen hij opviel bij de PvdA: ‘Ik praatte nog steeds zoals we gewend waren te praten in de RCP: veel revolutionaire terminologie’. Taal vormde wel een barričre in het contact naar buiten toe. Bovendien de Trotskisten waren zeer onderlegd: ze wisten bijvoorbeeld alles over het Albanië van rond 1700 en van de revolutionaire ontwikkelingen in Algerije rond 1960, waar Sal Santen bijdragen leverde en opgepakt werd toen hij vals geld wilde drukken.

Van de Trotskistische ideeën, die Ron Blom als opmerkelijk beschouwt, pikken we de Permanente revolutie en het Internationalisme eruit. Beide begrippen zijn door Trotsky ontwikkeld vooral in de context van de sociale revolutie en daarna. Het is precies waar de bureaucraten van de Sovjet-Unie (1917-1990) geen oog voor hadden. Het zijn wel de kenmerken van de huidige onstuimige veranderingsgezinde mondiale maatschappij. Hebben de Trotskisten dan invloed op een gebied waar ze het niet wilden bezitten? Een ding is duidelijk met deze uitleg begrijpt mijn dochter, inmiddels al wat ouder, wellicht wel het Trotskisme.

Boek 'Een banier waar geen smet op rust' De geschiedenis van het trotskisme in Nederland, 1938-heden is te koop voor € 25,=. Rekening IBAN: NL 43 INGB 0005961642, t.n.v. R.L. Blom te Amsterdam met vermelding van het adres.

Marten Buschman

Blog 71, 29 januari 2015

De betovering van Gorter en een beetje Moralisme

Toen Lieneke Frerichs op de presentatiebijeenkomst van Herman Gorters brieven citeerde uit de laatste aan Ada Prins klonk er gelach. Lieneke las voor over Gorters grote liefde voor Ada (‘werkelijk mijn Eenige en mijn Alles op de wereld’). Vlak daarvoor had ze gezegd dat de dag na het schrijven van deze brief Gorter met zijn andere grote liefde Jenne Clinge Doorenbos dezelfde Alpen zou bewandelen. Er werd vooral afkeurend gelachen, smalend zelfs. Ik ving woorden op als ‘leugenaar’ en ‘verrader’. Wat is dat toch? Dat men zo moralistisch over het verleden denkt. Alsof wij in het huidige tijdsbestek de zuivere ethiek bezitten.

En de afkeurende lachers missen -  ik denk niet dat ze de moeite nemen de brieven te lezen noch de verantwoording van Lieneke Frerichs - waarschijnlijk de prachtige brieven van Gorter aan zijn beide vriendinnen, fraai uitgegeven door Van Oorschot. Want wat zijn die brieven betoverend! De natuurbeleving, het belang van de stilte en ook de nauwelijks verhulde sensuele liefde van Herman voor vooral Ada. En ook hoe eenvoudig en precies Gorter de natuur of gebeurtenissen beschrijft. Een uitstekend waarnemer derhalve. Maar voor de goede lezer van Mei of van de Verzen (1890) is dat natuurlijk geen verrassing. Zoals hij bijvoorbeeld de eeuwigheid, geluksgevoel, de stilte en natuurbeschrijving in een kort gedicht verbeeldt als De boomen golven op de heuvelen is magistraal. Er zijn vele voorbeelden in de uitgave Geheime Geliefden. Een paar voorbeelden.

”Ik kan gerust zeggen met eerlijkheid dat, bleef ik op mijn stoel op dit oogenblik dood, ik gelukkig zou zijn geweest omdat ik die gevonden heb. Er ontbreekt natuurlijk ontzaggelijk veel van de verwezenlijking, maar toch ik kan niet anders zeggen: ik ben gelukkig.” (p.19, jaar 1902)
”(…) maar je (=Ada) bent net een plantje in het voorjaar dat bloeit onder de boomen in het zand, dat nog alleen groen is en bloemen heeft terwijl de berken en boomen er boven nog kaal zijn.”(p. 24)
”Gisteren heb ik een van de grappigste gewaarwordingen uit mijn propagandistschap gehad. Ik wist niet beter of ik moest over de Russische revolutie spreken. De voorzitter houdt zijn openingsrede en zegt in zijn laatste zin een heel ander onderwerp. Ik stap naar den katheder met een allerzonderlingst gevoel en een vreeselijke moeite om niet te gaan schateren. Het ging natuurlijk goed. Zoo’n ervaren redenaar, is het niet?’ (p. 80)
”Het lijkt of de lente de stad binnendringt. Ik zit hier nu zoo heerlijk stil in deze kamer, het is net of een heerlijkheid langs het raam gaat. (…) Soms is het net in een stad of er van boven of van buiten een heerlijkheid, een innigheid binnendringt. Dan lijken de gevels zoo fijn blauw, met zoo’n blauwig waas om zich, het is alsof een val van kleuren er langs valt en op straat lijkt het of je loopen kan in de zachtste lichten van steenen en boomen.”(p. 39)

En deze zijn nog maar uit de eerste van de bijna vijf honderd pagina’s in de bundel.

Maar ter zake. Waar komt dat moralisme vandaan? Piet de Rooij analyseert in zijn Ons stipje op de waereldkaart dat wij Nederlanders na onze glorieuze Gouden Eeuw – en neen we vergeten het Kopergeld niet! - weinig meer te vertellen hadden in de wereld en ons dan maar als gidsland opgesteld hebben. De lijst van Nederlandse moralistische gelijkhebbers is ...... Genoeg. Die kleinzielige vitters met hun misselijkmakende middenstandsmentaliteit schuiven we terzijde om nogmaals Gorter aan het woord te laten, een voor het eerst gepubliceerd gedicht (p. 97):
Wortel-oranje zinkt de zon
donker wordt het bosch;
Uit de weide stijgt weemoedig
de kleine nevel op
Blauwgoor wordt de keizelweg
en karmijn de plaats waar de zon stierf

Marten Buschman

Blog 70, 13 december 2014

Notitie zonder spijt over Portugal

Een van de conclusies die J. Rentes de Carvalho (RdC) trekt in zijn onlangs opnieuw uitgegeven (als Kritische Klassieke, toemaar) Portugal – de bloem en de sikkel kon ik bij een terugblik op het Portugese revolutionaire proces van 1974-76 onderschrijven. 

De nationalisatie van de grote conglomeraten die het oude regime hadden geschraagd betekende modernisering op staatskosten – en, hetgeen in zijn boek niet aan de orde is, overeenkomstig de regels van Brussel en Washington zijn al die genationaliseerde bedrijven hetzij opgeheven hetzij voor een appel en een ei 'geprivatiseerd'. Als het anders was gelopen dan zou RdC geen gelijk hebben gekregen. En nee, ik ga hem nog steeds niet gelijk geven met terugwerkende kracht en een diepe schuldbelijdenis doen over veertig jaar geleden. In de eerste plaats niet omdat het gelijk van RdC dat nu uitgekraaid wordt, voorbijgaat aan het belangrijkste doel van de Portugese omwenteling van 25 april 1974: een einde maken aan absurde koloniale oorlogen. Dat is gebeurd. Angola en Oost-Timor zijn niet 'netjes afgeleverd' maar vanuit Nederland kan men dat moeilijk als Nederlander kritiseren, met Nieuw-Guinea, Suriname en thans voorheende Nederlandse Antillen in gedachten.

En '25 april' heeft niet socialisme in een enkel Westeuropees land opgeleverd maar dan toch in ieder geval een parlementair-democratisch gelijkgeschakeld regime met partijen die als eieren op elkaar lijken en waarin corruptie en nepotisme hoogtij vieren. De andere dictaturen die in die jaren 'omvielen', Griekenland en Spanje, vallen in dezelfde categorie. En noch na 1917 noch na 1974 had socialisme in één land kans, en de Grote Kladderadatsj bleef uit. In de jaren zeventig meer nog dan destijds na 1917. Het is flauwekul om dit per se op het conto van Portugese onderontwikkeling te schrijven. Brussel (toen nog in de eerste plaats zetel van de NAVO) en Washington waren ten volle bereid de linkse koers van het nieuwe bewind tegen te werken en de buitenlandspecialist van de PvdA fungeerde van harte als koerier van de CIA ter bevordering van de contrarevolutie.  En inderdaad, Moskou had er ook geen trek in en Peking nog minder. Tegenwerking in de vorm van brandstichtingen en bomaanslagen moest ook toen de juiste markteconomische koers aangeven. En een contrarevolutionaire staatsgreep op 25 november 1975 zorgde er voor dat het af ging lopen met het bezetten van bedrijven en deze zelf in handen nemen, of het nu om de krant República ging of verwaarloosde landerijen in Alentejo. Niet eens in één klap, maar geleidelijk. Normalisering heet dat dan.

Spijtig, ik kijk niet met spijt of schaamte terug op mijn betrokkenheid bij georganiseerde solidariteit met de radicale beweging van de arbeiders in Portugal destijds (die soms maar meestal niet steun kreeg van de arbeidersbeweging – over het verschil ga ik het nu niet hebben). Ik zie geen reden Grote Broer met terugwerkende kracht gelijk te geven en lief te hebben. Spijtig voor Rentes de Carvalho en al degenen die hem de lof toezwaaien die hij destijds niet heeft gekregen.

Zeg ik even als trots lid van de Portugal Informatiegroep Amsterdam en toenmalig deviezensmokkelaar zonder steun van CIA of PvdA.

André de Raaij

Blog 69, 21 november 2014

Heimans rond 1905

Eli Heimans: wie werkte met liefde blijft leven

Eli Heimans is in de nacht van 21 op 22 juli 1914, in een hotelkamer tijdens excursie in de Eifel, overleden – hij is slechts 53 geworden. Omdat het honderd jaar geleden is, is 2014 uitgeroepen tot Heimansjaar. Er is een grote kans dat u dit ontgaan is. Niet eens alleen omdat hij 'in de schaduw van Jac. P. Thijsse' verkeert, de naam die als het ware in een adem met de zijne genoemd wordt. Thijsse is minder vergeten dan Heimans, maar of deze naam nu actief gekoesterd wordt in een nationaal collectief historisch geheugen betwijfel ik eigenlijk.

De Heimans & Thijssestichting heeft ter gelegenheid van het Heimansjaar een mooi rijk geďllustreerd – zoals het hoort – boekje uitgegeven, geschreven door Marga Coesčl, die in geschrifte hoofdzakelijk het erfdeel van beide heren uitdraagt. U kunt hier zien of u het wilt bestellen. Heimans heeft genoeg werken die alleen op zijn naam staan geschreven, waaronder twee jeugdboeken, wandelgidsen voor de schooljeugd en een boek over de streek die zijn speciale voorliefde had, het Krijtland in Zuid-Limburg. Hier, in Epen, is de Heimansgroeve naar hem genoemd, het natuurmonument Het Bovenste Bos, sinds 1961.

In 1893 maakt hij kennis met collega-onderwijzer en “natuursporter” (een woord dat hij zelf geďntroduceerd heeft) Thijsse, blijkbaar doordat zij dicht bij elkaar woonden. Er volgde, mede door de inzet van de directeur van dierentuin Artis, Coenraad Kerbert, een samenwerking op het gebied van beschrijving van inheemse flora en fauna. Het resulteerde in de vermaarde reeks Van vlinders, bloemen en vogels (1894), In sloot en plas (1895), Door het rietland (1896), Hei en dennen (1897), In de duinen (1899) en In het bosch (1901). Los hiervan, want toegspitst op een enkel gebied, en tot voor kort moeilijk vindbaar is hun boek over het Amsterdamse Vondelpark, dat inmiddels heruitgegeven is, maar (helaas, moet ik toch zeggen) alleen gedigitaliseerd. Zijn eerste wandelboekjes waren geďnspireerd op het Sarphatipark, een naar verhouding nogal klein park dat een groot stadsgebied bedient. Hier is inmiddels een pad naar hem vernoemd. Ook Hei en dennen is online te lezen en wordt gerubriceerd als jeugdliteratuur. Dat is zeker na ruim een eeuw nogal te relativeren. De boekjes waren bedoeld voor het natuuronderwijs op school maar de inhoud gaat dit doel te boven. Ze werden in brede kring enthousiast ontvangen.

Heimans en Thijsse waren onderwijzers. Universitaire studie was in die tijden niet weggelegd voor de mindere standen. Als onderwijzer koesterden zij het idee om er met de klas op uit te gaan en stadse bleekneusjes de roep van de koekoek, de leeuwerik, de tortel of de nachtegaal te doen horen. Het doen kennismaken met de natuur werd als veredelend voor de ziel gezien, een verrijking van het leven. Over dit streven, dat nauw verweven is met de arbeidersbeweging in brede zin, wordt juist in Nederlandse historische kringen nu wegwerpend gedaan in termen als 'beschavingsoffensief'. Hierover een andere keer.

Vooral aan Heimans dankt Nederland het tijdschrift voor natuursport, De Levende Natuur, in 1896 opgericht door Heimans, Thijsse en collega-onderwijzer Jaspers Jr. Voorts was hij betrokken bij de oprichting van de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten (1905), die weer voortkwam uit de eerder opgerichte Nederlandsche Natuurhistorische Vereeniging (1901), aangevuld en ondersteund door vertegenwoordigers van de hogere standen. Of het in die kringen zeker virulente antisemitisme een rol speelde bij het feit dat hij niet in het bestuur gekozen werd zullen we niet kunnen achterhalen.

Gegeven zijn inzet voor onderwijsvernieuwing, verbetering van de positie van onderwijzend personeel en bij de popularisering van veldbiologie en natuurbescherming zou hij een eigen lemma moeten hebben bij BWSA. Ik stel met verbazing vast dat dit er (nog) niet is.

André de Raaij

Blog 68, 28 oktober 2014

Broddelwerk in de wetenschap

Als historicus verbaas je je weleens over het gemak waarmee sommige zekerheden de wereld in worden geslingerd. Tijdens discussies die maatschappelijk rumoer veroorzaken, denken mensen van beide kanten vaak de wetenschap aan hun zijde te hebben. Die weet zus zeker en die weet zo zeker. Argumenten zijn meestal anekdotisch omdat er snel wat wordt gegoogled of gewikipediaad en degenen die een wat genuanceerder beeld naar voren brengen worden afgeserveerd. Door de voortdurende herhaling lijken beide zijden het gelijk aan hun zijde te krijgen. De media staan begerig aan de zijlijn in afwachting van een argument dat het met een vette kop goed zal doen in de maandagochtendkrant

Enige tijd geleden verscheen een bundeling artikelen van wetenschapsjournalist Hans van Maanen waarin een dergelijk verschijnsel aan de hand van enkele tientallen gevallen wordt belicht. Moet de fruitconsumptie omhoog, is chocolade goed tegen beroertes en zorgen mannen met grote ballen slechter voor hun kinderen? Zomaar een paar vragen die ooit door wetenschappers zijn gesteld, waarna ze er een onderzoek naar verrichtten en een artikel over publiceerden. De uitgever van het wetenschappelijk tijdschrift maakt er een leuk persbericht van want ja, dit is toch maatschappelijk relevant en zo wordt de valorisatie gewaarborgd. De wetenschapsredactie van een dagblad neemt het bericht gemakzuchtig over en de krantenlezende vrouw met kinderwens maar nog op zoek naar een partner weet dat ze eerst de maat van zijn ballen moet nemen. Als dat niet verkoopt.
Van Maanen laat verschillende aspecten van dit proces zien in zijn prettig geschreven boek. Vaak worden de conclusies van het oorspronkelijke onderzoek later onderuit gehaald of in ieder geval afgezwakt. De interesse van de wetenschapsredacties is dan echter minimaal omdat een spannende kop nu moeilijker te bedenken is. Dus nooit zal de geďnteresseerde leek, die denkt aardig op de hoogte te blijven door het lezen van een kwaliteitskrant, te weten komen dat bidden tot god je kans als vrouw op een hartinfarct echt niet vergroot of dat het niet nodig is om hardrock te onthouden aan je dertienjarige zoon uit angst voor een latere criminele carričre.

Ook aan veel van de oorspronkelijke onderzoeken die dus zo gretig wel door de krantenredacties worden overgenomen, mankeert trouwens nogal wat. De onderzoekspopulaties zijn vaak te klein, de statistische bewerkingen niet altijd verantwoord en een enkele keer vraagt Van Maanen zich zelfs af of de onderzoekers wel verstand van statistiek hebben. Hier wreekt zich waarschijnlijk de publicatiedruk in de tegenwoordige Academia. Liever een publicatie ook al rammelt deze, dan niets op de jaarlijkse publicatielijst van het instituut waar men werkt. Het systeem van peer review is daarbij vaak vooral een doorschuiven van manuscripten tussen bekende of zelfs bevriende collega's. Hoeveel mensen zijn er nou helemaal bezig met de vraag of het vrouwelijk orgasme een evolutionair voordeel heeft?

In het boek van Van Maanen komen vooral onderzoeksresultaten aan bod uit de wat hardere wetenschappen. Medici, evolutionair psychologen, biologen en andere 'harde gammawetenschappers' vullen de bladzijden van Broddelwetenschap en ik werd er niet vrolijk van. Deze collega's imiteren met een groot vertoon van statistisch geweld de jongens uit de echte wetenschappen en bestoken de wereld vervolgens met keiharde conclusies die aan het eind van de rit toch vaak boterzacht zijn. Maar ja, een boterzachte conclusie op voorhand leveren leidt misschien niet tot een publicatie en in de krant kom je er al helemaal niet mee. Je kunt maar beter flink uitpakken, dan mag je hopelijk aanschuiven bij Humberto Tan en herhaalt vervolgens iedereen je conclusies tot in het oneindige. Jouw mogelijk slecht onderbouwde maar goed in de markt gezette conclusie vindt zijn weg naar de consument en als je weer eens subsidie voor een onderzoek aanvraagt vindt dat geld zijn weg naar jou wel weer.

Na lezing van Van Maanen zou ik zeggen: hoed u voor de zogenaamde gammawetenschappers en al helemaal wat er over hun onderzoek in de krant komt. Hetzelfde zou ik maar doen als het om historische kennis gaat, maar daar kom ik nog wel een keer op terug. Voorlopig blijf ik dus maar gewoon rood vlees eten want het schijnt dat het onderzoek waaruit blijkt dat dit heel ongezond is boterzacht is. Vis vind ik trouwens wel lekkerder, zeker als ze in de boter is gebakken.
Hans van Maanen, Broddelwetenschap. Amsterdam/Antwerpen 2014.

Sjaak van der Velden

Blog 67, 19 oktober 2014

Gedeelte van wandsculptuur, nu in gebouw Bondgenoten Amsterdam

Van draadje naar kabel: onder FNV-ers

Het zou een mooi feest worden --- en dat was het ook. Half oktober het afscheidsfeestje van de FNV Centrale, tevens reünie van medewerkers. Het was een afscheid van het oude model vakbonden met een centrale. Het heeft geduurd vanaf de oprichting van het Nederlands Verbond van Vakverenigingen in 1905 tot en met 2014, althans dat was de bedoeling. Het kan nog even duren voordat het honderdjarige model, dat zich zelfs - als we de organisatie van het Nationaal Arbeids-Secretariaat uit 1893 meerekenen - uitstrekt over drie eeuwen, verlaten is. Op het congres van één van de bonden, FNV Bondgenoten, is niet de vereiste tweederde meerderheid gehaald.

Over de jaren heen zien we dat de centrale (het vakverbond) samengesteld was uit steeds minder vakbonden, hoewel het aantal vakbondsleden vanaf 1906 steeg tot net onder 40% (periode 1959-1980), dat sindsdien afgenomen is tot iets boven de 20%. Behalve een concentratietendens van de vakbonden ook een aantasting van de representativiteit. In 1893 waren er aparte vereniging voor kurkensnijders, lompensorteerders, typografen en voor alle vakken in het bouwvak, zoals opperlieden, slopers, metselaars, heiers en timmerlieden. Er is sindsdien vele malen gesteggeld over de structuur: rond 1903 over samenwerking zoals de Federatie te Water, bedacht door de bootwerker Janus Wessels, of in 1921 over bedrijfsorganisatie. Het blauwzwarte boekje, verschenen in een tijd van papierschaarste (1946) en het Plan van Kloos van de jaren zestig zijn latere voorbeelden. 

Het mooist is de ontwikkeling van concentratie verbeeld in het grote schema in de welkomsthal van de voormalige Industriebond FNV in de blauwe badkuip, nu een gerenommeerd hotel. Van vele draadjes naar een stevige kabel. Nu kunnen we de lijn doortrekken tot nog een dikkere kabel uitlopend in een punt. Een belangrijke ontwikkeling, dat wel. Opvallend is dat er - ook op de reünie - wel veel gesproken werd over deze herstructurering, maar niet over de toch wel erg lage organisatiegraad. 

Vanuit een reünieperspectief is het weer wat anders. Werken bij de vakbond en zeker bij de NVV/FNV-centrale was een begerenswaardige carričrestap voor velen. Zeker bij de linkse elite. Sommigen zijn gebleven, andere zwermden uit. Vooral de overstap naar sociaal-demokratische of overheidsorganisaties en wetenschap viel velen gemakkelijk.

Twee leden van de organisatiecommissie staan model voor de verschillende carričres. Jan van Hoof had nog gewerkt bij het NKV (Nederlands Katholiek Vakverbond) dat in 1981 fuseerde met het NVV tot FNV. Hij bestierde de regionale organisatie van de FNV en verbaasde mij in 1984 met zijn voorstel om een bijeenkomst voor de districtsbestuurders te organiseren op witte donderdag. Nou wist ik als rooms opgevoed jongetje wel wanneer dat was, maar de anderen knipperden toch wel even. Van Hoof kon er zich niets meer van herinneren.

Ook Jeroen Sprenger, medeoprichter van en geportretteerd in dit blad, was mede-organisator. Hij stapte van voorlichter over naar persvoorlichter van het Ministerie van Financiën. En was en is actief in de PvdA Bijlmer en de Vakbonds Historische Vereniging en charterde aanwezigen om de vaak onbekende geschiedschrijving ter hand te nemen, zoals de rol van de FNV bij het steunen van de strijd voor Solidariteit en tegen de apartheid. Hij is de tegenpool van Van Hoof, die altijd werkzaam is geweest bij de centrale, van NKV en FNV. Samen zetten zij zich in voor de geschiedschrijving van de vakbeweging in Nederland.

Beide feestsprekers, Ton Heerts en Erica Schaper, benadrukten het belang van de herstructurering en keken naar de toekomst: een sterke vakbond. Ik denk dat vooral de organisatiegraad flink omhoog moet!

Marten Buschman

Blog 66, 27 juni 2014

Vadertje Stalin

Vadertje Staal

Was dat dezelfde man in de stoel bij de parlementaire enquete volkshuisvesting, die twintig jaar geleden als interim manager van de Gemeentelijke Dienst Informatievoorziening (GDI) iedereen naar zijn hand zette, vele mensen intimideerde en als workaholic alle details kende, zodat niemand hem kon pakken. Want achterdochtig was hij, Erik Staal.

In zijn organisatie, Vestia, stond hij bekend als de beste ooit. Hij was een vader voor zijn personeel, mits ze deden wat hij wilde. Hijzelf vond dat ook zoals de toenmalige hoofdredacteur van de Haagsche Courant ondervond: 'ze hebben daar wel een probleem, ik heb nog nooit zo iets meegemaakt. Ik heb twee en een half uur moeten luisteren naar een man die zichzelf fantastisch vond'. 

Buiten zijn eigen bedrijf was Staal niet echt geliefd, net zoals die vent met het cognomen staal, Jozef Stalin. Vadertje Stalin was wel erg geliefd bij zijn communistische kameraden. Naar verluidt liep Stalin 's nacht over het Rode Plein om klachten en adviezen over de ontwikkelingen in de Sovjet-Unie aan te horen en zo nodig die raadgevingen over te nemen. Want al die vreselijke pogroms, koelak- en andere zuiveringen waren natuurlijk niet Stalins idee, maar van zijn kwaadaardige en minderwaardige ondergeschikten. Zo zie je ook vadertje Staal in zijn Vestia de adviezen aanhoren, want al die derivaten-risico's en huurverhogingen waren niet zijn idee, maar van frauduleuze non-valeurs.  

Het grappige was dat de niet-drinkende Staal zo gemakkelijk op de kast te krijgen was. Op een personeelsbijeenkomst van de GDI in 1994 maakte Staal bekend dat elke ambtenaar, die gedwongen voor onze overnamepartner Origin ging werken, niet in het gehele land te werk werd gesteld (dat wilde hij), maar als compromis alleen maar alleen in de Randstad. Een nederlaag voor hem, maar hij bracht het als een overwinning. Op influistering van mijn collega Gerrit-Jan van Eeden riep ik: 'Randstad, we hebben toch een contract met Vedior' [beiden uitzendbureaus], kon hij na het gelach alleen maar zeer kwaad kijken, want zijn mooie moment was weg. Wethouder Dijkhuizen gaf antwoord en vroeg of ik content [eveneens een uitzendbureau] was met zijn antwoord. Weer gelach. Als blikken konden doden .......

Het bleef bij blikken. Die andere Staal heeft niet weinig doden op zijn geweten. En is nooit ter verantwoording geroepen. Of dat ooit gebeurd is in het Hiernamaals of het Walhalla kan je alleen maar hopen. De grote opperbaas zou het proces waarschijnlijk uitbesteed hebben aan zijn Spaanse Inquisitie. En daar heeft Stalin naar mijn idee dezelfde truc toegepast als de huidige Staal: 'neen, ik wist niet van die miljoenen doden en ja mijn handtekening staat er onder, maar ik teken zo veel. Ik kan niet alles nakijken. En tot de dag van vandaag lig ik wakker van hoe het toch kon gebeuren'.

En dat laatste was de slachtoffers van Stalin niet beschoren: in grote getale vermoord. De slachtoffers van Staal zullen juist wel wakker liggen van de gevolgen van de sociaal-demokratische meester Erik Staal. Gelukkig maar: de huidige Staal kreeg zijn kans alleen maar in zijn eigen Vestia. En een staatssecretariaat is in 1993 gelukkig aan zijn neus voorbijgegaan.

Marten Buschman

Blog 65, 9 juni 2014

Op Pčre Lachaise, foto Sandra van Reenen.

In het voetspoor van Van Kol

Voor de zoveelste maal in Parijs, maar voor het eerst bij de Mur des Fédérées op Pčre Lachaise. Ik heb niet zo veel met dat soort gedenktekens. Maar omdat ik me nu serieus met het leven van Henri van Kol bezig houdt, moest het nu maar.

Het was even zoeken in het doolhof van de beroemde begraafplaats, maar via het graf van Jim Morrison toch gevonden. Het was 2 mei en een groepje wat oude hippies zong voor één van de vele communards, socialisten, anarchisten of communisten die daar begraven waren. Toch wel een bijzondere ervaring.

Van Kol schreef dat hij altijd langs de Mur des Fédérées ging wanneer hij in Parijs was. Dat was ook omdat hij de communards niet geholpen heeft tijdens hun strijd tegen de regeringstroepen. Hij kon er niets aan doen, hij was te laat! Van Kol was niet de enige die op weg en niet aangekomen was. Dennis Bos noemt in zijn boek over de mythes van de Parijse Commune Van Kol één van de spookveteranen.

In de SDAP-gelederen sprak men zelfs dat Van Kol met een geweer om zijn schouder vertrokken was. Hij was immers lid van de Schuttersclub Willem III van Eindhoven. En hij had de eerste prijs gewonnen op een schuttersfeest in 1876. Kan het waar zijn? Van Delft op weg naar Parijs en gestrand ergens in België? Het relaas van Henri is kort en dat geeft te denken. Na weken van aarzelen en vooral berichten lezen in dagbladen vertrok hij met een vriend. Maar met welk vervoermiddel? En waar strandde hij? Hij woonde en studeerde in Delft. Vandaar kan van Kol met de trein gegaan zijn, maar niet ver. Station Rotterdam Delftse Poort was een overstapplaats - het luchtspoor was er pas in 1877 - op de boot naar Moerdijk. De spoorbrug over het Hollands Diep was pas vanaf 1 januari 1872 in de dienstregeling opgenomen. Daarna met de trein naar Antwerpen, de grens over. Met een geweer op zijn schouder langs de beide douanes? Het is niet voor te stellen.

Dan maar met de diligence of trekschuit? Ik denk dat lopend nog de beste variant is. Maar dan doemen enkele barričres op: het Hollands Diep, de beide grenzen en het Pruisische leger, dat Parijs van de buitenwereld afgesloten had. Dat hij de Belgisch-Franse grens nooit lopend overgekomen is spreekt eigenlijk vanzelf. En dat geldt ook voor de Nederlands-Belgsiche grens. Je ziet het voor je: wat gaat u doen met dat geweer? Oh, gewoon de opstandelingen in Parijs ondersteunen. Ok, gaat u maar door! En dan het brede Hollands Diep: de veerboot zal hij wel niet genomen hebben, maar wellicht een roeibootje. Ook dan is de overtocht niet gemakkelijk. 

Het onthullende is dat Van Kol over dit soort details niet rept. Meer weten we over wanneer hij er over schrijft. In 1904 publiceerde hij een artikel in de herdenkingsbundel over tien jaar SDAP. Daarvoor heeft hij al rond 1895 een soort CV geschreven, dat hij in 1923 liet overtikken en aan partijgenoot Willem Vliegen zenden. En daar lezen we: "Vertrok naar Frankrijk gedurende Commune, maar moest wegens haar val voor de grens reeds terugkeeren." Welke grens, vraag je je meteen af? 

De status van de Commune in de socialistische beweging is pas later groot geworden. Hebben daardoor velen en Van Kol bedacht dat ze dan wel niet geweest zijn, maar toch op weg waren? Het is ook schrikbarend: één van de eerste socialisten in Nederland, die zich na de Commune in september 1871 aansloot bij de Socialistische Internationale van Marx ondernam niets.

Meest waarschijnlijke is dat Van Kol zich herinnerde dat hij wel had willen gaan en op de hoogvlakte in Oost Java peinzend op het terras van zijn planterswoning bedacht of hallucineerde dat hij op weg was gegaan. Als hij wel is gegaan, zal dat niet verder geweest zijn dan de gemeentegrens van Delft.

Marten Buschman

Blog 64, 26 mei 2014

Uche, uche, uche ....

Donderdag 22 mei 2014 werd in Athenaeum Boekhandel in Amsterdam een facsimile-uitgave van alle nummers van het blad Provo en de bijbehorende Provokaties ten doop gehouden. Een voor de hand liggende plaats: vlak bij het monument van de verslaafde consument bij uitstek, Het Lieverdje, aangeboden door de makers van Ha Hunter Heerlijk Hoesten  – uche uche, om Robert Jasper Grootveld met zijn anti-rookhappenings in ere te houden.

En nee, er is geen plaquette op het onnozele standbeeldje, ter herdenking van de happenings, de kloppartijen namens Het Gezag op zaterdagavonden in het holst van de jaren zestig. De bestrating om het beeldje heen heeft de vorm van een Gnot-appeltje, werd ons verteld, iets wat mij – en hoe vaak heb ik dit punt niet gepasseerd! – nog nooit was opgevallen. Dit is dan de gedenksteen. Provo wordt in de vergetelheid gedrukt, als de vervaarlijke ideoloog van het nieuwe Nederlandse protofascisme in de Tweede Kamer kan balken over Nederlandse academici die in 1968 een klap van de marxistische molen hebben gekregen, dan wordt hij ook op dit punt niet tegengesproken. Afgezien van het feit dat het niet waar is, klopt ook het als zo belangrijk aangeduide jaar nou juist niet voor Nederland.  

Nederland had zijn “1968” voor 1968 – het hoogtepunt was 1966, het rumoer rond het huwelijk van de kroonprinses en de onvermijdelijke val van de hoofdcommissaris van politie en de burgemeester van Amsterdam. Misschien wel het laatste grote arbeidersoproer van Nederland, van bouwvakkers op 14 juni 1966, stond niet los van de sfeer van “er is iets te doen in de stad” maar had verder niet met Provo te maken. Misschien was het ook het sluitstuk. Er viel een dode, dit zag er ernstig uit. Dat was het ook, maar het had geen verder vervolg.

Als Provo in anarchistische kringen of door hen die het anarchisme bestuderen als vroege Nederlandse start voor 1968 wordt gezien, waarom raakt het fenomeen zelf dan in de vergetelheid? Ik geloof helemaal niet dat dit zou komen doordat de Nederlandse samenleving als het ware zodanig doordesemd is van de geest van Provo dat het niet vermeld hoeft te worden. Als een neo-regent als Van der Laan (ook weer PvdA, net als Van Hall) een anarchistische 1-meidemonstratie in Amsterdam meteen bij het begin uit elkaar laat slaan door de Mobiele Eenheid (2012), als een week voor de presentatie van de Provo-uitgave Joke Kaviaar terechtstaat voor opruiing vanwege door haar verspreide teksten, als bekend gemaakt wordt dat de zogenaamde illegalen die in het voormalige Huis van Bewaring aan de Havenstraat het na de aanstaande ontruiming maar moeten uitzoeken – dan is er geen reden op de lauweren te gaan rusten en te denken dat Amsterdam (en bij uitbreiding Nederland) een vrijzinnig paradijsje is. En juist omdat het dit niet is moet Provo van hogerhand maar liefst vergeten worden, is de verdenking die ik koester.

Het klinkt niet zo aardig, maar ik kan het toch niet anders zeggen: een doos met herdrukte nummers, inclusief realia als het klappertje dat het startschot moest zijn van de revolutie in mei 1965, uitgegeven door een marginale uitgeverij, prijs: 49,50, is geen waarborg tegen het Grote Vergeten. In ieder geval kunnen nu alle nummers van Provo bij de boekhandel terechtkomen. Maar ze hadden er eigenlijk altijd moeten zijn, vanaf 1965/67, ze hadden geen moeilijk vindbare speculatieobjecten mogen worden en iedereen had deze bronnen zo moeten kunnen ophalen bij de betere boekhandel. O, die heeft Nederland al nauwelijks meer, dat is waar. En welke grotere uitgeverij zou zich er aan wagen? En vindt het Gezag het wel goed?

En toch – misschien komt het er alsnog van, na deze facsimile-uitgave.

Als professioneel titelbeschrijver waag ik mij nu aan de titel die verzuchtingen zou opleveren in het bibliotheekwezen als dat nog functioneerde [en neen, de duidelijkste spelfout blijft mooi staan]:

Provo – Provo is een maandblad voor anarchisten, provoos, beatniks, pleiners, scharenslijpers, bajesklanten, zuilenheiligen, magiërs, pacifisten, patapooiers, sjarlatans, filosofen, bacillendragers, opperstalmeesters, happenaars, vegetariërs, syndikalisten, huslers, brandstichters, Klazen, kleuterleidsters, opruiers, pyromanen, schurft- en syfillusleiders, BVD-ers en ander rapalje / Provocaties / Vlugschriften van PROVO anarchistenblad. [Met een voorwoord van Roel van Duijn en een inleiding van Jan Donkers] Amsterdam/Utrecht: Kelderuitgeverij, 2014. 49,50 euro.

André de Raaij

Blog 63, 16 april 2014

Van Thijn tegenover Johan Middendorp (midden)

Eens een lakei ....

Tijdens de verkiezingsstrijd van maart 2014, die in een smadelijke nederlaag voor de sociaaldemokratie eindigde, trad de oude meester Ed van Thijn nog een keer op om zijn PvdA te verdedigen tegen de bourgeoisjongens van D66: geen bestuurlijke ervaring hadden die. Het heeft waarschijnlijk de nederlaag alleen maar vergroot.

Nooit verlegen om dienstbaar te zijn, zo kennen we Van Thijn. Zo zien we hem op de foto uit 1966. Hij was toen fractievoorzitter van de PvdA Amsterdam, maar functioneerde hier als dienaar van het gemeentebestuur. Maar ook als opdrachtnemer van de bezetters van het Maagdenhuis. Hij vroeg naar hun opdrachten. En pendelde met twee opdrachten heen en weer. Normaal gesproken noemen we zo iemand een onderhandelaar, maar in zijn geval is de wielerterm 'knechtenwerk' meer van toepassing.

Zijn carričre binnen de sociaal-democratie en bestuurlijk Nederland is snel verteld. Volgzaam en dienstbaar zijn de termen en langzaam omhoog klimmend in de hiërarchie. Afgestudeerd in de politieke wetenschappen in 1961, was hij van 1962 tot 1981 lid van de Amsterdamse gemeenteraad en Tweede Kamer om in dat jaar minister te worden in het CDA-PvdA-D66 kabinet van Dries van Agt. Dat was slechts kort. Vervolgens was hij elf jaar burgemeester van Amsterdam om in 1994 door de partij geroepen te worden tot minister van Binnenlandse Zaken voor slechts vier maanden, ondanks het feit dat de IRT-affaire hem boven het hoofd hing en noodlottig werd. Een beroep van de partij wijs je niet af, althans als je Van Thijn bent. Daarna was hij senator.

We halen er nu één gebeurtenis uit: het afschieten in de Eerste Kamer van het D66-kroonjuweel van de gekozen burgemeester in 2005. Met het argument dat het allemaal wat te snel ging. Op het eerste gezicht een wat gezocht argument. Alhoewel D66-er Brinkhorst hem een rat noemde, ging het van Thijn vooral om toekomstige huisbediendes - met name van de PvdA - het perspectief op een mooie baan als livreier te laten behouden. Zo'n vooruitzicht zou zeker verdwijnen bij burgemeestersverkiezingen. Kiezers waarderen knechtendom bij directe democratie niet.

Een vooruitziende blik had de anonieme interviewer in het blad Provo (extra nummer) uit 1966. Daarin vinden we een - gefingeerd - gesprek met Van Thijn. Met deze dialoog:
"Provo: Denkt U dat het mogelijk is om eventueel tot een gekozen burgemeester te komen?
v. Th: Het lijkt me niet, want daarvoor is een grondwetswijziging nodig.
Provo: Is dat eventueel niet te forceren?
v. Th: Misschien, maar dan zou de loco-burgemeester (Koets, provo) de taak toch minstens 5 ŕ 6 maanden moeten waarnemen.

Provo: Wilt U dit in de kamer voorstellen?
v. Th: Hierop wil ik niet antwoorden."

Zo ontwijkend mogelijk, de kaarten voor zijn borst houdend en vooral geen eigen mening door laten schijnen, zo was Van Thijn in 1966. Het antwoord op de laatste vraag kennen we inmiddels. Al heeft het veertig jaar geduurd voordat het antwoord kwam.

Marten Buschman

Blog 62, 30 maart 2014

Domela een anarchist? Al in 1881!

De discussie over Domela's antisemitisme heeft een ander punt in de hagio- en historiografie links laten liggen. Wanneer werd hij anarchist?

Het is en blijft één van de lastigste vragen. Want wat is precies anarchisme? Vaak heeft het anarchisme meer met persoonlijkheidskenmerken te maken dan met politieke standpunten. En bovendien ben je niet van de ene op andere dag van sociaal-democraat verschoten tot anarchist.

De schrijvers van de korte biografie op de website van het Ferdinand Domela Nieuwenhuis Museum zien eind jaren negentig als beginpunt: "Aan het eind van de negentiende eeuw bekeerde hij (Domela, mb) zich tot het anarchisme". Daarbij doelen ze op december 1897 toen de Socialistenbond uiteenspatte, Domela de Bond verliet en een nieuw tijdschrift oprichtte: De Vrije Socialist.

De sociaal-democratische geschiedschrijving met Vliegen en Wansink (Tweesprong) als leidend tweetal zien 1894 als het omslagpunt. Zo schrijft Wansink: de "SDB (...) was zijn leider in anarchistische richting gevolgd en mede daardoor in menig opzicht tot werkeloosheid en machteloosheid gedoemd." (p. 216).

De biografen van Domela, de Jong, Meyers en Stutje hebben allen een andere aanpak maar zijn redelijk eenduidig over de overstap van Domela. De Jong plaatst de overgang in 1897, maar in de vele alinea's voor en na deze constatering beschrijft hij voorvallen en opmerkingen van Domela die anarchistische genoemd kunnen worden. Zijn conclusie: "Zoals de predikant Domela Nieuwenhuis langzamerhand socialist was geworden, zo was in de sociaal-democraat, eveneens zeer geleidelijk, de anarchist gegroeid."(p. 59). Meyers heeft in feite met een iets andere argumentatie dezelfde conclusie. Stutje schrijft vooral - zoals zijn ondertitel aangeeft - over de revolutionaire romantiek en Domela's aandacht voor de onderklasse.

Uitingen van twee tijdgenoten van Domela plaatsen zijn anarchistische ontwikkeling veel eerder. Een Belg en Fries, in 1887 en 1881. Edmond van Beveren schrijft in een brief van 17 oktober 1887 aan Henri van Kol over Domela: "Ik geloof dat het gevang hem erg verbitterd heeft, en vrees zelfs dat hij anarchist wordt. Hij heeft er al een slag van weg, en dat ware jammer voor de beweging." En in een latere brief van januari 1888:""Reeds voor de ontvangst van uwen geëerden brief hadden wij naar Holland aan D.N. en anderen geschreven over de anarchistischen stroming van Recht voor Allen."

Ook Vitus Bruinsma, leraar aan het Stedelijk Gymnasium te Leeuwarden en voorzitter van de Friesche Volkspartij (voor algemeen kiesrecht) was van mening dat Domela aan anarchisme en negativiteit leed en wel in  …. 1881. Bruinsma schrijft aan Van Kol op 3 maart 1893 in een terugblik: "De eerste verg. waarin hij (Domela, mb) in Friesland heeft gesproken te Leeuwarden in 1880 of 1881 heb ik gepresideerd en ik vormde toen geheel alleen het hele 'bureau'; er waren geen anderen. Maar gij zult nu begrijpen waarom ik mij vele jaren lang niet kon aansluiten bij den Bond waarvan hij het hoofd en R.v.A. het orgaan was, tot ik nu voor kort tot het besluit kwam dat de verbetering alleen door werken in den Bond kon tot stand komen."

Deze twee tijdgenoten zien het anarchisme van Domela tien ŕ vijftien jaar eerder ontstaan dan de gebruikelijke verklaringen. Er zijn ook tegenwerpingen: Bruinsma keek terug op het moment dat de scheuring in de SDB eraan komt en de Gentenaren waren altijd erg practisch en weinig revolutionair.

Maar toch: getuigenissen van tijdgenoten hebben mijn voorkeur.

Marten Buschman

Voor een reactie van Bert Altena klikt u hier.

Blog 61, 31 januari 2014

Spotprent 1891 over dwangarbeid

Over reďntegratie, vooruitgang en zijpaden

Het was een mooie avond in de Eerste Helmersstraat 106, Amsterdam. Een felle en emotionele discussie over ‘dwangarbeid’ en sociaal-democratische heropvoeding. Het leek wel of de jaren dertig van de twintigste eeuw of de jaren rond 1890 terug waren.

Mijn snelle conclusie is: we gaan vooruit.
 
Aan het woord waren drie inleiders, niet echt goed begeleid door de voorzitster Malene Duijst over uitkeringsgerechtigden en hun plichten en rechten. Ging het rond 1890 om het verkrijgen van steun überhaupt tijdens een barre winter en in de jaren dertig verzet tegen de kortingen van regeringswege (Colijn met zijn gouden standaard), nu ging het niet om de hoogte van de uitkeringen maar om reďntegratieprojecten en vooral van een speciale vorm van zo'n programma: de Stichting Herstelling.

We gaan dus vooruit.

De voorzitter van Herstelling de sociaal-democraat Jeroen Sprenger verdedigde zijn organisatie met verve: we zijn al vijftien jaar zeer succesvol, meer dan de helft van onze cliënten stromen uit naar de arbeidsmarkt. En al die geuite klachten horen niet bij ons maar bij de DWI (Dienst Werk en Inkomen) van de gemeente Amsterdam.

De hoogleraar Gijs Vonk had een doortimmerd verhaal over vooral de voorstellen van de regering om bijstandsgerechtigden te verplichten vrijwilligerswerk te verrichten. Met het verplicht stellen van werk voor ‘steuntrekkers’ of bijstandsgerechtigden is een grens overschreden. Het belangrijkste in zijn bijdrage was zijn constatering dat er vanuit de beleidsmakers weinig tot geen belangstelling bestaat voor de beleving van de uitkeringsgerechtigden zelf.

De derde spreker was het zwakst, Ruud Kuin, de vice-voorzitter van de AbvaKabo: we gaan er wat aan doen was zijn mantra. Maar wat en met wie, bijvoorbeeld met de uitkeringsgerechtigden zelf? Of met de stichting Herstelling op verzoek van Sprenger? Geen woord. Dat deed Sprenger wel: oproep om er gezamenlijk uit te komen. Dat was in 1890 en jaren dertig zeker niet het geval. Hongermarsen en Jordaanopstand hebben niets uitgehaald.

We gaan dus vooruit.

Flashback: toen de econoom Wim Treub in 1891 zijn kritische verhaal over de SDB afgestoken had in het hol van de leeuw (Constantia) stond er een grote smid op, liep het naar toneel en zei met luide stem: 'Met al de geleerdheid van dien meneer heb ik niets te maken, maar dit weet ik: hij liegt het Gvd.’
Maar vanavond was er niet zo’n actie, hoewel één vrouw, Wiek genaamd, zei dat ze niet verwachtte een zinnig antwoord van Jeroen te krijgen op haar vraag. Maar dat was alles. Dat Sprenger niet door twee partijgenoten gesecondeerd zoals Troelstra door Manus Degen en Wolf Levie was terecht.   

Ook op dat gebied gaan we vooruit.

Wel veel zijpaden of niet ter zake doende opmerkingen, zoals die van Roel Walraven, ex-wethouder en bestuurder van de stalinistische CPN, die zei dat werkenden en niet-werkenden solidair hoorden te zijn. Een mooiere dooddoener kennen we niet. Zijpaden als die van Walraven waren er legio: een oproep voor het basisinkomen, een verhaal over werken met asbest, een advocaat over de rol van lampjes bij vliegtuigrampen en een lijsttrekker die zijn – gelukkig kleine - partij voor het voetlicht bracht.

De mooie voorbeelden van die zijpaden waren kleurrijker dan honderd jaar geleden.

En vele reacties waren terzake: klachten over behandeling of over ontslag uit de Herstelling en een vraag om een vertegenwoordiging van de werkers bij Herstelling door een kaderlid van de AbvaKabo-Amsterdam. Sprenger reageerde daarop minimalistisch dat gesprekken altijd welkom zijn en dat het rapport Dwangarbeid Nee onderwerp van gesprek zal zijn bij de mensen van Herstelling.

We zijn in het algemeen aan het vooruit gaan. Het beste bewijs van voortgang en vooruitgang was de oproep van Gijs Vonk om de beleving van de uitkeringsgerechtigden te betrekken bij overleggen en analyses. Ik weet zeker dat zo'n oproep in 1891 niet alleen weggehoond zou worden, maar zelfs niet overwogen is.

Marten Buschman

Blog 60, 17 januari 2014

Klets, april 1984, p. 7.

KWJ-ers in actie

De BVD wist het al in de jaren vijftig, maar de medewerkers van Klets, het jongerenblad van de FNV, Wilco Sjouke en Willem Croese, waren dertig jaar later nog niet op de hoogte: dat het OVB een verantwoordelijke, zij het wat eigengereide vakcentrale was.

In de Klets – wie verzint nou zo’n naam? – van april 1984 schreven Croese en Sjouke, ex-KWJ-ers, een positief stuk over het OVB. Daarmee namen ze afscheid van de FNV-jongeren-organisatie op een wel heel wonderlijke wijze. Hoe groot de consternatie was toen in het eigen FNV-blad propaganda voor het kleine OVB stond, weet ik (werkzaam bijde FNV-bibliotheek) nog goed.

Het OVB stond bekend als revolutionair en werd daarom vanaf het begin in de gaten gehouden door onze BVD. Over het OVB schreef de rapporteur van de BVD in 1959: “Inzonderheid op het stakingsfront bleek overigens het verschil tussen beide organisaties. Voor de EVC gold: indien mogelijk, dan staken; voor het OVB in het algemeen: alleen waar nodig staken. In dit opzicht betoonde de OVB-leiding - meer dan ooit de EVC - het voor een.werkelijke vakorganisatie vereiste verantwoordelijkheidsgevoel te bezitten.” Zoals het NVV en NKV kunnen we toevoegen.

De beide jongens hadden toch wel andere verwachtingen. In hun artikel OVB de oppositievakbond schrijven ze: “Wij vinden dat we in het OVB veel zelfstandiger en strijdvaardiger aktief kunnen zijn. Problemen zoals aktieve bedrijfsledengroepen en verontruste FNV-ers die hebben met hun bestuurders, kennen we niet. (…) In plaats van oppositie te spelen binnen de FNV, zijn wij liever op een direkte en eenvoudige manier aktief. Voor ons is dat in de Bedrijfsorganisatie Collectieve Sector, die sinds twee jaar bestaat en flink groeiende is.”

Deze OVB-organisatie heeft het tot 1990 volgehouden. En is toen uit elkaar gespat mede vanwege ‘problemen met bestuurders’, van het OVB wel te verstaan. Een groot gedeelte vormde toen de Vrije Bond. De Vrije Bond is daarna de anarchistische weg en in rook opgegaan. “Heeft de Vrije Bond toekomst?” Dat was de kop van een artikel in het blad Ravage van november 2003: “De Vrije Bond moest een bloeiende vakorganisatie worden die op tal van terreinen in de maatschappij actief zou zijn. Dertien jaar later rest nog slechts een solidariteitskas en het blad Buiten de Orde. Een dezer dagen beraadt de organisatie zich over haar toekomst. Tijdens een binnenkort te houden bijeenkomst in Utrecht zal men zich buigen over de vraag of de Vrije Bond niet meer zou moeten zijn dan een netwerk met een kas en een blad.” Sindsdien is er niet veel veranderd.

Dat Sjouke en Croese van de voormalige KWJ (Katholieke Werkende Jongeren), de overstap maakten is aan de andere kant ook weer niet zo gek. In 1982 fuseerden de jongeren organisaties van het NKV en NVV als laatste van alle organisaties van katholieke en moderne zijde. De organisatie- en cultuurverschillen waren immens. De KWJ was in de jaren zestig behoorlijk geradicaliseerd. Losgekomen van het katholieke netwerk (zuil) was het vooral een beweging geworden. In het gedenkboek Zien, oordelen handelen beschrijven de auteurs de KWJ en zijn voorganger de KAJ als gericht op bewustwording en emancipatie van katholieke werkende jongeren. En later zeer bedreven in acties vanuit de werkende jongere zelf, zo’n beetje als nu de veel geprezen ’organizers’. De jongerenorganisatie van het NVV was veel formeler en meer een jonge uitvoering van het NVV zelf. Botsende culturen, waardoor de fusie laat tot stand kwam.

Twee jaar na de fusie besloten Croese en Sjouke uit de  - volgens hen  - te centralistische structuur te stappen. Ik denk niet dat Croese en Sjouke de Vrije Bond van 1990 voor ogen hadden toen zij in 1984 voor het OVB kozen. Maar een mooie actie was het in 1984 wel, misschien zelfs hun finest hour.

Marten Buschman

Blog 59, 14 december 2013

Bewaking met ontbijt

Ha, een nieuwe foto van de spoorwegstaking van april 1903, dacht ik. En aangekondigd op de website van de briefkaartverkoper als Amsterdam, april 1903, Blauwbrug. Dus gelijk besteld en meteen maar een blog geschreven, zelfs voordat ik de bestelling thuis had ontvangen. Die ging ongeveer als volgt: "Heeft Marx, Hegel citerend en verbeterend, niet geschreven dat wereldgebeurtenissen zich tweemaal afspelen, de eerste keer als tragedie de tweede keer als klucht? Nu kan ik er één toevoegen. In Nederland. In Amsterdam, maar dan omgekeerd, eerst de komedie dan de tragedie.

Nu kon Marx dat schrijven omdat hij de staatsgreep analyseerde van Napoleon de Derde in 1848, die teruggreep op die van zijn beroemde oom van het jaar 1799. Het kwam Marx goed uit: hij zette Napoleon III als een komediant weg.

Op de Blauwbrug heeft zich behalve de tragedie van de 1980 ook de komedie van 1903 afgespeeld. Een komedie? Ja, een schertsvertoning, want op de foto is duidelijk te zien dat de militaire wachtposten niets te doen hebben, zoals elders op de kruising van de sporen van Den Haag naar Utrecht en van Leiden naar Delft of zoals in de Amsterdamse Waterleidingduinen. Neen, dan was 1980 heel wat heter. We kennen allemaal de beelden van de schermutselingen, neen gevechten: twee linies tegenover elkaar. Of anders kennen we wel de boeken van A. F.Th. van der Heijden over deze slag. Op de bovenvermelde foto’s is niet veel actie te zien. De overmacht van de regering was te groot. Deze foto mag dan een komedie voorstellen, maar de spoorwegstakingen van 1903 waren dat zeker niet. De eerste georganiseerde slag tussen de vakbeweging, socialisten en anarchisten aan de ene kant en de confessionelen, conservatieven en regering aan de andere kant
.”
 
Toen ik de foto thuis nog eens goed bekeek was het meteen duidelijk, dit is niet de Blauwbrug en Amsterdam? Leek me ook niet waarschijnlijk. Immers: een breed water met twee spoorbruggen en aan de rechterkant een groot gebouw op een soort heuvel. Maastricht of een andere zuidelijke stad lag meer voor de hand. Ik heb de foto op Facebook geplaatst en gevraagd om reacties. Maar helaas niets.

Verder gezocht op internet en via sites als spoorwegbruggen en vele anderen heb ik de foto uiteindelijk gevonden op de leeuwensite van bruggen bij het Amsterdamse Centraal Station. De foto is afkomstig van het Stadsarchief Amsterdam (zie hier alle afbeeldingen over '1903') met de correcte beschrijving: Het spoorwegviaduct over de Korte Prinsengracht, gezien van de Haarlemmer Houttuinen naar Westerdok en Westelijk Stationseiland.

Hoewel ik in eerste instantie nog twijfelde – het onderschrift spreekt van zes leeuwen en ik zie er echt maar vier – heb ik ter plaatse gecontroleerd of de nog bestaande bogen er hetzelfde uitzien (antwoord ja) en op oude stadskaarten zag ik eveneens de ronde vorm afgebeeld van dat vreemde gebouw aan de rechterkant. De spoorbrug op de achtergrond is niet van een doorgaande lijn, maar van een goederenverbinding met het eiland aan het Westerdok. De draaibrug – van 1922 - van die goederenverbinding doet nu dienst als restaurant.

Het bijzondere van die foto is niet dat er geen actie is, dat zien we alleen op de foto’s van J. Bickhoff en ook niet dat de stakers het af laten weten, maar dat de bewakers zo te zien een tafeltje hebben neergezet om hun ontbijt genoeglijk te verorberen.

Marten Buschman

Blog 58, 26 september 2013

De kenniseconomie

Participatie en wetenschappelijke zuinigheid

We schijnen in een participatiemaatschappij te (moeten) leven. Van ieder mens wordt een bijdrage verwacht waarmee hij een inkomen kan verwerven en als die bijdrage om welke goede reden dan ook niet mogelijk is, pas dan springt de staat bij om iemand een minimale bestaanszekerheid te bieden. Doet wel een beetje denken aan 'geen recht waar plicht is opgeheven, geen plicht zal zijn waar recht ontbreekt' uit het lijflied van Links.

Zekerheden moeten op de schop. Een baan voor het leven is ouderwets en sparen voor je oude dag, dat doe je zelf maar. Deze nieuwe maatschappelijke sfeer hangt al decennia boven de hoofden van mensen maar wordt steeds duidelijker realiteit. Zo ook in Academia. Al een fiks aantal jaren nemen wetenschappelijke instellingen vrijwel geen mensen meer in vaste dienst. Jongeren (en dat gaat inmiddels tot ver in de 40 dus hoe jong is jong nog) kennen eigenlijk alleen nog maar tijdelijke onderzoekscontracten. Ook is een groeiende groep onderzoekers in de humaniora voor zichzelf begonnen. Als kleine zelfstandige, met een modern woord ZZP'er genoemd, proberen zij een bestaan op te bouwen. Instituten maken met graagte gebruik van hun diensten. Daar is niets mis mee, maar ze moeten dan wel fatsoenlijk worden betaald. En dat is niet altijd het geval.

Academia

Zo maakte ik van zeer dichtbij het volgende mee. Een voor eigen rekening werkende historicus werd door een hoogleraar benaderd. Omdat onze historicus een alom erkend en bekend specialist is in een bepaald vakgebied vroeg de professor hem om zitting te nemen in een promotiecommissie. Een hele eer natuurlijk: er zijn universitaire docenten die hier nooit voor worden gevraagd. Dus de historicus was geneigd om ja te zeggen. Vrienden waarschuwden hem echter dat hij zo de markt verpest. Waarom zou hij daar onbezoldigd tussen goedbetaalde hoogleraren gaan zitten?

Hij trok zich deze opmerkingen aan, dus wat deed de trotse historicus. Hij zei tegen de hoogleraar dat hij het wel wilde doen, maar of het mogelijk was om hem dan een tegemoetkoming in de kosten te bieden. Uiteindelijk kost het lezen en beoordelen van een proefschrift tijd en ook de dag van de promotie kost tijd en geld. Binnen korte tijd kreeg hij groen licht: de professor bood hem 1500 euro. Een mooi bedrag. Wie schetst echter de verbazing van onze gerespecteerde historicus toen hij twee dagen later een e-mail ontving dat het feest niet doorging. Door hem te betalen zou zijn wetenschappelijke integriteit in het geding komen. Alsof de anderen in de commissie niet worden betaald. Maar ja, onze held in het verhaal vond de eer dusdanig groot en zag zo reikhalzend uit naar de ontvangst van een gratis boek en een reisje op eigen kosten naar de hoofdstad, dat hij besloot zich niet terug te trekken.

Na lezing van het manuscript deed onze historicus een paar aanbevelingen voor verbetering en stuurde die naar de professor. Het boek werd aangepast. De grote dag verstreek. De kleine zelfstandige stelde als lid van de commissie een aantal kritische vragen en kon het niet laten om gekscherend iets te zeggen over de rol van een buitenpromovendus en een onbezoldigd commissielid als melkkoe voor de universiteiten. En daarmee was de kous af.

Of toch niet? Nou nee. Wat blijkt namelijk. De betreffende professor heeft aan de promovendus gevraagd of hij die toegezegde 1500 euro uit eigen zak aan het commissielid wil betalen. Ja, zo krijg je inderdaad belangenverstrengeling. Zeer terecht heeft de jonge doctor dit geweigerd. Maar waarom betaalt de universiteit in voorkomende gevallen een commissielid van buiten niet? Universiteiten ontvangen toch 90.000 euro voor iedere geslaagde promotie? Waarom verplicht de overheid of het NWO de instellingen voor wetenschappelijk onderzoek dan niet om een deel van dat geld door te sluizen naar experts van buiten die worden gevraagd om te assisteren? Als de overheid wil dat we participeren, niet alleen maar uit de staatsruif eten en onze eigen broek ophouden dan mag je toch op zijn minst verwachten dat gewaardeerde arbeid wordt beloond.

Maar wacht, het verhaal is nog niet af. Onze historicus is inmiddels weer voor zoiets gevraagd. Nu door een andere professor, bij een andere universiteit en in een andere functie. Niet als commissielid, maar als co-promotor. Maar weer lijkt het of er geen geld tegenover kan staan. En dat terwijl de werklast natuurlijk nu heel wat zwaarder is. Misschien een idee als in het promotiereglement komt te staan dat co-promotores van buiten de universiteit worden beloond met pak hem beet 10.000 van de 90.000 euro? Zeker in het geval van buitenpromovendi levert een dergelijke regeling de universiteit nog steeds een aanzienlijke som op. Kunnen ze lekker mee participeren. 

Sjaak van der Velden

Blog 57, 11 september 2013

Uit: Recht voor Allen

Revolverhelden Vliegen en Cornelissen 

Een van de legendes uit de oude socialistische beweging tot 1895 is dat de latere zo legalistische rechts sociaal-democratische Willem Vliegen een revolver- en dynamietman was. In januari 1893 bood de firma Libertas (van Vliegen) zwart geëmailleerde Bulldog revolvers aan voor vier gulden, de gewone Lefauceux-revolvers voor slechts fl 2,50, daarmee onder de prijs duikend van de gelijktijdige aanbieding van vooraanstaande partijgenoot A.G. Zwart uit Gorredijk. Vlak voor Sinterklaas 1893 adverteert Vliegen nogmaals in Recht voor Allen (28, 29 november 1893): "Socialistische meisjes, koop uw vrijer een: St. Nicolaas-Kadeautje! (...) Bulldog-Revolver". Vliegen zelf heeft revolvers gebruikt toen hij achtervolgd werd door een boerse anti-socialistische horde. Gelukkig schoot hij in de lucht.

Even daarvoor is Vliegen op een of andere manier betrokken geweest bij de Luikse dynamietaanslagen uit 1894. Die zaak had vervelende gevolgen voor Vliegen zelf, maar ook voor de redacteur van Recht voor Allen Christiaan Cornelissen vanwege de ontdekking van een compromitterend document in Vliegens huis. Vliegen en Cornelissen zijn in Luik bij verstek veroordeeld tot zes maanden. Zij konden niet meer in België komen en moesten steeds omreizen via Duitsland van en naar Parijs.

In zijn niet gepubliceerde memoires raakt Cornelissen er niet over uitgepraat. Ook sociaal-historici van linkse signatuur halen deze anekdote graag aan, tegelijk met de opmerking dat de partijgenoten rond Domela en Cornelissen in principe niet zo 'gewelddadig' waren als Vliegen.

En het is waar: Cornelissen schrijft in zijn herinneringen, geschreven veertig jaar na dato, dat hij zich gemoedelijk laat arresteren voor het vergrijp bestuurslid te zijn van de verboden SDB: "De politie heeft me dan ook officieel gearresteerd, eind Maart 1894, in mijn woning te Haarlem. De arrestatie kwam geheel onver­wachts, zoodat er geen oploop van de bevolking kon plaats hebben. De politiecommissaris te Haarlem verzocht mij allervrien­de­lijkst geen opstootje te verwekken, hetgeen echter op het vroege morgenuur ook moeie­lijk uit te voeren zou zijn geweest." En hij schrijft dat hij de Ethica van Spinoza meegenomen had, maar die pas na vijf dagen terugkreeg.

Haarlems Dagblad, 19 maart 1895

Cornelissen woonde toen in Haarlem, Schotersingel 41, bij partijgenoot A.M. Hollebrands. Op 15 maart 1895 (!) is hij gearresteerd door de rechercheurs Verkerk en van Halst met behulp van twee agenten. Die namen staan niet in zijn memoires, maar wel in het Haarlems Dagblad van 19 maart 1895. Daar staat nog meer in, dat een ander licht werpt op zijn vredelievenheid: "De rechercheurs gingen de voordeur in, maar Cornelissen, lont ruikende, trachtte de plaat te poetsen en klom over de schutting aan de achterzijde van het huis en daar viel hij in de handen van de twee agenten van politie, die er geposteerd waren. (...) toen hij aan het hulpbureau aan het station werd gefouilleerd en men een geladen revolver bij hem vond, waarvan al de kamers gevuld waren. Behalve dit wapen had Cornelissen die zich anarchist noemde en journalist (...) Spinoza's 'Theologisch politische Abhandlung' bij zich." 

Neen, beide vleugels van de oude socialistische beweging van voor 1895 bezaten dezelfde romantisch revolutionaire sentimenten met revolvers. En dat beide heren revolutionair waren met flinke scheuten geweld, wilden ze allebei later niet meer weten!

Blijft over de vraag welk boek van Spinoza Cornelissen in zijn zakken had: de Ethica of de Tractatus Theologico-politicus?

Marten Buschman

Blog 56, 27 augustus 2013

Amsterdam voor 1890 voor de doorbraken. Baedeker 1891

Het NAS 1893: van Buurtvereniging naar Vakcentrale

Vandaag honderd en twintig jaar geleden, niet op een dinsdag, maar op een zondag, zaten meer dan tien mensen bij elkaar in een bovenzaaltje van Constantia, het partijgebouw van de Sociaal-Demokratische Bond aan de Rozengracht te Amsterdam. Het zal er warm geweest zijn, niet vanwege de onderlinge ruzies, ook niet vanwege de buitentemperatuur van slechts twintig graden, een gewone hollandse zomerdag! Wel vanwege de gloed van de verwachting. De aanwezigen richtten namelijk het Nationaal Arbeids-Secretariaat in Nederland op, de eerste Nederlandse vakbondsorganisatie. Zij waren bestuurders van nationale vakbonden. In naam. In werkelijkheid waren zij bestuurders van Amsterdamse zelfstandige vakverenigingen. Een lokale gebeurtenis derhalve met latere nationale gevolgen.

Behalve in de bovenzaal waren er vele partijgenoten gekomen naar het eigen gebouw Constantia, nog maar drie jaar in eigen bezit, voor bijeenkomsten of zomaar om onder elkaar te zijn. Constantia lag op een strategische plek, gemakkelijk te bereiken voor alle socialisten. De meesten immers woonden in De Jordaan (zie de beschrijving van Dennis Bos over de Jordanese socialisten). En rustig: de grote doorbraak van de Raadhuisstraat kwam pas drie jaar later met de openstelling voor het verkeer, nadat in de zomer van 1894 de Warmoesgracht verdwenen was en vele panden gesloopt. Gelijk met de annexatie van Nieuwer-Amstel functioneerde de Rozengracht in dat jaar als verkeersader naar het westen.

Eigenlijk weten we de details van die bijeenkomst alleen maar van Christiaan Cornelissen. In zijn briljante memoires beschrijft hij de oprichtingsbijeenkomst op 27 augustus en de voorbereidende meeting op 9 juli 1893. In het partijblad Recht voor Allen staan zo nu en dan korte berichtjes voor en na de oprichting, maar niet meer dan dat. Op 29 augustus staan de statuten vermeld, op 12 september vermeldt de krant dat er een circulaire met oproep tot aansluiting rondgestuurd is met de statuten plus een vermelding van de eerstvolgende bijeenkomst op 8 oktober, wederom in Constantia. Daar is een bestuur gekozen en sluiten de schildersgezellen zich aan nadat zij een Internationale Bond hebben opgericht: internationaal dat wil zeggen Vlaams-Belgisch en Nederland. Veel meer levert het eerste half jaar van het bestaan van het NAS niet op.

Achttien honderd en drie en negentig is ook het jaar dat socialisten zich splitsten in een parlementaire en revolutionaire vleugel. Net een dag minder dan een jaar later dan het begin van het NAS richtten de parlementairen de SDAP op. Veel ruimte in Recht voor Allen was in dat jaar voor de politiek ingeruimd. Voor de vakbeweging en het NAS was er weinig ruimte over in het blad. In de werkelijkheid van alle dag waren de bestuurders vooral bezig zaken als oprichten van verenigingen, samenwerking bij de 1-mei viering en soms met steunverlening bij staking. Zoals blijkt uit het eerste verslag (Het Nationaal Arbeids-Secretariaat (Zijn ontstaan en werking) Amsterdam 1895) van secretaris J. van Bennekom: meer een propagandaschrift dan een verslag. De jaarverslagen over 1895/1896 en 1896 zijn de eerste echte met inhoud.

Maar vanaf 1896 gaat het snel. Dat gold voor het NAS in het bijzonder: de ene na de andere vereniging wordt opgezet, vooral ook nationale organisaties en er zijn succesverhalen over acties voor hogere lonen of zelfs praten over een collectieve afspraak met de werkgevers. Het NAS spreidde zich uit, hoewel dat nog niet te zien is aan de adressen van het kantoor tot het begin van de twintigste eeuw: Constantia Rozengracht 152 was het eerste correspondentieadres voor het NAS, daarna trok het bestuur in bij het Timmerliedengebouw, Rozenstraat 135, op een ruime – en veilige -  afstand van Ons Huis van de burgerlijke Toynbeebeweging (Rozenstraat 12-16) en weer later op de Rozengracht 164. De drie bestuurders van het eerste uur woonden niet ver van het centrum in de Kinkerstraat 7, Van Woustraat 34 en Van Houweningenstraat 22. De bewoner van het laatste huis, typograaf J. Sasbach, woonde zo’n beetje op de resten van het Volkspark.

Het zijn huizen in buurten, zoals de Kinkerbuurt, de Pijp en de Hugo de Grootbuurt, die in 1893 aan het begin van hun groei stonden. Amsterdam sloeg zijn klauwen uit naar de omgeving. En zeker vanaf 1896 na de annexatie en openlegging van het centrum naar Amsterdam West zijn de Jordaan, de Rozengracht en de vakbeweging en het NAS opgenomen in de stroom van buurt- naar nationale verbindingen.

De groei van het NAS tot 1900 heeft veel te danken aan het opengooien van Amsterdam.

Marten Buschman

Blog 55, 20 juni 2013

Gorter te Bergen, beeld (1990) van Hans Bayens

Herman Gorter in zijn hemd?

“Toen Herman Gorter tijdens een propagandatocht een kopje koffie ging drinken, liet hij een jonge arbeider die hem vergezelde buiten wachten. Het voorval illustreert hoe dubbel de houding van sociaaldemocraten vaak was in hun strijd tegen ongelijkheid.” En daar staat ie dan weer, zoals in 1967 met veel waardering door de oude Van het Reve geportretteerd en in 1978 door Frits de Jong politiek veroordeeld! Nu door de maker van de inleiding bij het mooie artikel van Adriaan van Veldhuizen en Paul de Beer over gelijkheid en gelijkwaardigheid. Herman Gorter als de onhandige verbeelding van hoe moeilijk de houding van sociaaldemocraten tegenover gelijkheid en gelijkwaardigheid is. Hoe anders is de realiteit.

Waar gaat het over: Gorter was in 1911 voor de Sociaal -Democratische Partij op propagandatocht in Twente en werd door de jonge G.J.M van het Reve (vader van Gerard en Karel) afgehaald van het station in Enschede. Er ontwikkelde zich direct een bijzondere en vertrouwelijke band tussen Gorter en Van het Reve, tussen de bourgeois-dichter en revolutionair op middelbare leeftijd en de achttienjarige textiel-arbeider. Ondanks die vertrouwelijkheid schokte het Van het Reve dat Gorter hem vroeg om in het deftigste hotel van de stad naar binnen te gaan voor koffie! “Ik zal buiten wel op u wachten, antwoordde ik (Van het Reve, mb) geschokt.”

De passage uit de memoires is niet anders te duiden dan dat Gorter Van het Reve geen blamage wilde laten slaan in zo’n bourgeoistent, waar deze zich waarschijnlijk geen raad wist. Gorter voelde dus zeer goed hoe deze arbeider zich daar moest voelen, als een opgedirkt aapje. Om eerlijk te zijn: Gorter treft dan wel geen (on)gelijkheidskritiek, maar wel blaam. Hij had ook met Van het Reve door kunnen lopen. Gorter was vaak te snel tevreden in moeilijke persoonlijke situaties. Zie daarvoor mijn artikelen over deze affaire en over Gorters houding tegenover vrienden.

Hoogleraar en sociaaldemocraat Frits de Jong trok de zaak behoorlijk scheef door in de bundel Acht over Gorter te schrijven: “En het Heelal werd blauw van propaganda. Maar wanneer Van het Reve Gorter van de trein haalt voor een spreekbeurt, laat de bewonderde dichter-spreker, wanneer hij in een gerenommeerd etablissement zijn kopje koffie gebruikt, de bewonderde arbeiders buiten wachten.” Niet alleen het scheeftrekken valt op, maar ook de suggestieve bewoordingen én vooral de verbinding van de verheven dichterspropaganda en het buiten laten staan - in de regen denk je dan direct. Van dat soort suggestieve bewoordingen had De Jong wel meer last. In zijn politieke biografie van Troelstra schrijft hij: “de zieke echtgenote was hem meer tot last dan steun.“ Niets over Sjoukje Bokma de Boers’ lijden aan depressies, maar zíj was alleen lastig voor zíjn politieke ontwikkeling.

In het bovengenoemde artikel is de lead een typische aaneenschakeling van twee niets met elkaar te maken hebbende losse feiten: buiten laten wachten en de dubbelheid van de sociaaldemocratie. In de tekst zelfs lezen we andere zaken. Daar leggen de schrijvers uit dat weinig mensen het problematisch vonden in die tijd, verwijzend naar bovengenoemd artikel. In deze tijd blijkbaar wel, althans bij de redacteuren van Socialisme en Democratie of bij de koppenmakers van het tijdschrift.

Hoop ik, want de tekst is toch niet van één van de schrijvers zelf?
Dan heeft hij dezelfde a-historische houding tegenover linkse intellectuelen als 35 jaar geleden Frits de Jong. Een kritische houding prima, maar laat Herman Gorter daar volgende keer buiten!

Marten Buschman

Blog 54, 8 juni 2013

Uitzicht over de Schie

De Delfshavense Schie

Achttien vrachtwagens ploegen zich een weg door de Schie zegt een reuzen sticker van de promotie club voor de binnenvaart. Ik zie ze varen vanuit mijn hooggelegen venster op de wereld. Dat raam kijkt heel ver. Een halve eeuw geleden keek men van hier uit op de kweekschool met den bijbel. Wat zouden de mensen die die school bezochten hebben gegruwd als ze zouden weten dat de letters van hun gebouw zouden verdwijnen. Dat hun gebouw nu de buurman is van twee minaretten.

Op vrijdagmiddag haast ik me want een bandje roept dan vanaf een van de minaretten de hele wijk op. Tot wat? Hij doet het in een taal die de meesten niet verstaan. Het Arabisch van het bandje dat uit de moskee klinkt, wordt door vrijwel niemand begrepen. Er wonen niet veel Arabieren in Spangen. Nederlanders wel. En Surinamers en Turken. En Berbers. Maar die praten ook geen Arabisch.
Toch lopen grote groepen naar het gebouw alsof ze willen horen wat de onverstaanbare man te melden heeft. Maar ik haast me om mijn raam dicht te doen. Want de kerkklokken op zondagochtend vind ik irritant, maar die onverstaanbare stem op vrijdagmiddag vind ik pas echt vervelend.

De kweekschool vandaag

Maar ik had het over die school met den bijbel. Die mensen hadden het zwaar. Toen mijn vader en moeder wilden trouwen, wilde den bijbel dat liever niet. Het was begin 1950. Twee geloven op een kussen, tja daar komt niets goeds van. Zo dachten ook mijn opa's. De een protestant, de ander katholiek. Ja, en niet zomaar katholiek, nee Rooms-katholiek. Dat u niet denkt dat hij oud-katholiek was. Nee, hij was een echte, zo een van de pauselijke onfeilbaarheid. Mensen wisten toen niet dat hun zielenherders zich her en der aan kinderen vergrepen en debielen doodmaakten. Opgeruimd staat netjes nietwaar?

Afijn mijn ouders dus, of beter een jong verliefd stel, waren nog te jong om zelf te beslissen. Ze waren nog geen 23 en de Nederlandse wetgever stond niet toe dat ze een huwelijk aangingen zonder toestemming van hun ouders. En die weigerden. De liefde was zo groot dat het jonge stel de ouders trotseerde. Een gang naar de rechter volgde. De katholieke opa (de oma's bemoeiden zich er niet openlijk mee, maar ja die waren toen nog wettelijk handelingsonbekwaam) geloofde het wel. Maar de opa die volgeling was van Calvijn dacht daar anders over. Die opa ging dus naar de rechtbank aan de Noordsingel. Hij vertelde de rechter: 'ik lever mijn dochter niet uit aan Rome'. De rechter had daar echter geen boodschap aan.

De rechter, die mijn bestaan zeker stelde, knaagde aan de macht van den bijbel. Hij was niet de enige. Langzaam liepen de kerken leeg. Waarom luisteren naar kerkelijke autoriteiten. Dat zijn toch ook maar gewone mensen? Ook al verschuilen ze zich achter kazuifels, onder kalotjes of oude overleveringen. Een bekende zanger schoof als volgt de paus aan de kant: 'hij die door zijn orgaan slechts pist, heeft steeds voor duizenden beslist'. Nee, die oude gejurkte man uit Rome hoefde ons echt niet te vertellen met wie we naar bed gingen. En al helemaal niet hoe we dat deden en of we een kind wilden. Nederland ontwaakte! In mijn vriendenkring zongen we de liedjes van deze vrijgevochten troubadour hardop mee. Hoe het mijn kameraden is vergaan weet ik niet.  Maar mij bevreemdde het wel toen de bewuste zanger, een openlijk homoseksueel, later terugkeerde naar Rome. En dat terwijl die kerk nog steeds niet aanvaardde dat mannen van mannen of vrouwen van vrouwen houden. De wegen van de ... zijn soms ondoorgrondelijk. 
       
Maar mijn raam kijkt niet alleen ver in de ruimte, helemaal naar een Turkse moskee. Nee je kijkt ook ver in de tijd. De Schie die onder mij stroomt doet dat al eeuwen. Stromen. Ooit waren er twee van die Schiejen in Rotterdam, maar alleen deze is over. De rest is gedempt. Daar razen automobielen. Alleen deze Schie draagt vrachtauto's vermomd als vaartuigen op zijn rug. Die varen daar dankzij graaf Albrecht van Beieren. Dat weten de schippers van de achttien vrachtwagens huishoudelijk afval vast niet. Waarom zouden ze ook. Als het water maar diep en breed genoeg is. En dat is het.

De eerste Schie tussen Overschie en Delfshaven is gegraven in de veertiende eeuw. Precies in de periode dat het christendom in Iberië probeerde de moslims Europa uit te werken. Als de christelijke gravers van het kanaal eens hadden geweten dat het hoogste gebouw langs hun bloed zweet en tranen ooit een moskee zou zijn. Hadden ze dan zo hard gegraven? Maar misschien hadden ze het nog wel erger gevonden dat een ongelovige vanaf twintig meter hoogte op hun werk, die moskee en de voormalige school met den bijbel zou neerkijken. Je weet het niet.  

Sjaak van der Velden

Blog 53, 25 mei 2013

In 1884 (IISG)

Henri van Kol
Een sociaaldemocraat met Januskop


Henri van Kol is laatst weer verschenen! En wel in het aardige boekje van Nelleke Noordervliet De Leeuw en zijn hemd. Op dit, vooral naar haarzelf toe, eerlijke boekje – ze schrijft ‘op dat moment was ik zelfs bereid de slavernij te verdedigen.’ (p.7) – ondervraagt ze Nederlanders van vroeger. En dus ook Henri van Kol.

Van Kol zou verguld zijn geweest. Immers: regelmatig komt in zijn eigen publicaties en daden (zelfs postuum) te voorschijn dat hij een belangrijke Nederlander was. Weliswaar net geen Minister geworden, maar wel de Indië-specialist, de eerste Nederlandse Internationale Socialist en leverancier van Javakoffie. Haar openingszin is fraai: ‘Henri van Kol heeft geld’. In meer dan twee bladzijden typeert ze Henri goed. Bijvoorbeeld zijn gekoketteer met Franse termen als ‘een succes fou’. En vooral zijn dualisme over het kolonialisme van Nederland, enerzijds kritiek. Aan de andere kant de white man’s burden: ‘Ons gezag is historisch gegroeid. We hebben geďnvesteerd in het land. We hebben overzicht. We hebben een morele verantwoordelijkheid. Door liefdevolle vermaning moeten wij het volk leiden., door een weldoende voogdij de rijkdom van het land vermeerderen, de welvaart der inwoners doen toenemen. (…) Zonder het koloniaal bestuur zou de hele archipel ten onder gaan in stammenstrijd. Dankzij Nederland heerst er rust.’
Noordervliet antwoord dan ironisch: ‘In Atjeh?’. Maar dat blijkt meer retorisch of vragen naar de bekende weg. Van Kol negeert de vraag en gaat verder met de lofzang op het particuliere ondernemerschap in Ons Indië.

En daar is het goed om de pas in te houden. Want Noordervliet vliegt alweer naar het volgende onderwerp. Hoe kan het anders in zo’n klein boekenweekgeschenk. Maar: was Van Kol wel zo kritisch over de verrichtingen van Van Heutsz en Colijn? In het begin misschien wel, hoewel hij nooit de felle bewoordingen zal gebruiken zoals later Herman Gorter in de Twentse Nieuwe Tijd over de acties van commandante Van Daalen in de Alaslanden in 1904. In zijn reisverslag van maar liefst 826 bladzijden Uit Onze Koloniën (1903) is Van Kol positief wat de legerleiding Van Heutsz en Colijn bereikt hadden: een gepacificeerd gebied, dat wil zeggen vrij van oorlog, waar ‘onze’ civilisatie-invloed kan beginnen.

Van Kol zag overal gespuis, dat het Nederlandse gezag ondermijnde en dat kerels van stavast als Colijn en Van Heutsz in de uitvoering van hun 'hoge taak' dwarsboomde. Aan zijn vrouw Nellie schrijft hij: "Groot is de verandering hier door het humane optreden van generaal van Heuts[z], een rond, dapper en eerlijk man. Tot nu is mijn inzicht in menig opzicht gewijzigd over den toestand al hier." Van Kol liet zich volledig inpakken door Van Heutsz. Hij was het eens met de politiek, die de Nederlandse Regering en het leger op Atjeh voerden. Want, zo schrijft hij aan Nellie: "ons optreden is geworden in het belang der bevolking, die wij beschermen tegen roovers en opvoeden in hun belang."

En dat is het fascinerende aan Van Kol: enerzijds een idealistische sociaal-democraat, anderzijds een gewone koloniaal, maar wel met een boodschap de white man’s burden of in Hollandse termen de ethische politiek.

Marten Buschman

Blog 52, 10 mei 2013

Op het Waterlooplein, 1980

Het gemis van 30 april

In het breed uitwaaierend scala van jeugdtrauma’s die mijn gemoed altijd zijn blijven prangen, heeft het Kroningsoproer van 1980 een prominente plaats. Geboren in 1969 had ik mijn elfde verjaardag nog maar net achter de rug toen Beatrix zich 33 jaar geleden liet inhuldigen. Vrij van school waren we, en ik zat die dag bij moeder thuis op de donkerbruine, ribfluwelen driezitsbank. Vroegwijs knaapje dat ik was, volgde ik met stijgend enthousiasme de uiterst levendige live-verslaggeving, die Stan van Houcke en Hanneke Groenteman via Hilversum 2 voor de VARA en Stad/Radio Amsterdam verzorgden:  ‘Het is fantastisch weer hier in Amsterdam, weer om te kraken, weer om te demonstreren...’

De televisie stond ook aan, zonder geluid. Ik meen me haarscherp te herinneren dat op die televisie te zien was hoe iemand een op het oog nauwelijks te torsen balk dwars door de vooruit van een voorbijrazend ME-busje wist te lanceren. Dat moet het moment zijn geweest waarop ik vroeg of ik naar opa en oma mocht. Die woonden in een souterrain aan de Amstel, op nog geen vijftig meter van de felomstreden Blauwbrug. Het leek mij op dat moment een aanmerkelijk interessanter locatie dan onze eigen Bijlmerflat. Mijn moeder heeft dit voorstel toen van de hand gewezen zonder ook maar een schijn van argumentatie en ook achteraf heeft zij over dit uiterst autoritair optreden nooit enige verantwoording afgelegd. Het valt niet uit te sluiten dat haar arbitraire beslissing voortkwam uit de beste bedoelingen, maar resultaat was wel dat ik sindsdien door het leven ga als iemand die tijdens de Kroningsrellen van 1980 schitterde door afwezigheid.
 
Ik heb de rest van de jaren tachtig en de eerste helft van de jaren negentig geprobeerd dit uiterst beschamend verzaken te compenseren, waar en wanneer de gelegenheid zich maar voordeed. Echt gelukt is het natuurlijk nooit. Een schrale troost diende zich echter aan in 2005, met de publicatie van Het Kroningsoproer. 30 april 1980. Reconstructie van een historisch keerpunt. Eric Duivenvoorden, de auteur van deze schitterende kroniek van de chaos toonde zich in een ‘woord vooraf’ wel heel openhartig: Eén van de meest tumultueus verlopen dagen uit de naoorlogse geschiedenis van Nederland heb ik noodgedwongen doorgebracht in Den Haag, gekluisterd aan de radio en de televisie. Ik zat midden in mijn eindexamen.

Kijk, die kan zich dus niet eens beroepen op het machtswoord van een onwillige moeder, en dat lijkt me toch echt een tandje erger, op de schaal van laakbaar. Uiterst herkenbaar is wel wat Duivenvoorden schrijft over zijn eerste schreden in de Amsterdamse kraakbeweging, vlak na het behalen van zijn schooldiploma. Ook hem zou bij herhaling zijn ingepeperd dat hij de roemrijke mijlpaal van 30 april 1980 mooi was misgelopen.

Tegen beter weten in heb ik me dit jaar op 30 april dan toch maar naar het Waterlooplein begeven. Het door de autoriteiten aangewezen demonstratieterrein oogde ronduit desolaat: de revolutionaire massa’s hadden het er weer eens lelijk bij laten zitten. Roel van Duijn was er wel, compleet met Koninklijke onderscheiding op de witte pullover, en een flink aantal van de baardige aanwezigen was eveneens in één oogopslag herkenbaar als veteraan van het strijdbaar anarchisme. En daar was ook weer die steek van schrijnend gemis, toegebracht door de oud-strijder van ’80 die trots langs de camera’s paradeerde met een bord dat o-zo-subtiel aangaf dat hij er wčl bij was geweest !

Op het Waterlooplein, 2013

Eric Duivenvoorden zag ik trouwens ook rondschuifelen, helemaal in zijn eentje. Ik heb hem maar niet aangesproken.

Dennis Bos

Blog 51, 2 mei 2013

De koning komt!

Daar sta ik dan, op de Dam. Met die woorden over een eerdere balkonscčne in m’n achterhoofd: ‘Ach armen! Wat zijn wij toch nog dwaas en weinig ontwikkeld dat wij nog aan dergelijke domheden ons schuldig maken!’ Toen Domela als hoofdredacteur van Recht voor Allen deze woorden in 1886 drukte, wachtte het volk geen inhuldiging. Maar de Oranjegezindheid was er tijdens het jaarlijkse bezoek van Willem III aan de hoofdstad niet minder om. En in de tussentijd is er weinig veranderd. Staande op een vensterbank kijk ik uit over een enthousiaste en oranjegekleurde mensenmassa. Een enkel bordje tegen de monarchie steekt (nog) in de lucht.

Half 11, de koning komt! De balkondeuren gaan open en een oorverdovend gejuich stijgt op. En ach, arme Domela: ik juich mee. Want inmiddels hebben ‘we’ al een aantal uur gewacht. Hier heeft zich een volk verzameld dat een historisch moment wil vieren en zich daarmee bewust toont van een traditie. Het Koningslied is dan ook geen enkele keer gezongen en met de vrouw naast me op de vensterbank heb ik zeker tien minuten over ceremonieel koningschap gediscussieerd. Het leek haar een goed idee. Al is Oranje voor sommigen vooral aanleiding tot een feestje, voegde ze eraan toe, maar waarom zouden we Willem-Alexander weg doen als hij de aanleiding voor zoveel vrolijkheid is? De eerste maten van het Wilhelmus klinken en ik voel hoe ik samen met duizenden anderen een stukje nationaal erfgoed in stand houd.

Al is het koningshuis niet het erfgoed waar we zondermeer trots op hoeven te zijn, dat besef ik me terdege. Daarom bevind ik me twee uur later op het Waterlooplein.  Terwijl Domela voor zijn uitspraken over Willem III en het Oranjegepeupel inmiddels in de cel zat, was dit immers de plek waar in februari 1887 rood en oranje met elkaar op de vuist gingen. Aanleiding waren de avonturen Uit het leven van Koning Gorilla, telg uit een roemrucht Gorilla-geslacht die zich ontpopte tot een ware machtswellusteling en seksmaniak. Het volk had de kennis gretig tot zich genomen, en ook ik laat me graag bijscholen.

‘Weg met de monarchie’ en ‘bang zal-ie leve’ staat nu met zwarte viltstift op grote posters gekalkt. Mooie omkeringen van de toejuichingen op de Dam, maar na een korte grinnik word ik er ook een beetje chagrijnig van. Want hoe we dit dan gaan aanpakken, kan ik nergens lezen. Een troepje verdwaalde Oranjevrienden staat voor het podium te blčren. Stompzinnig, ik geef het meteen toe, maar verbazingwekkender vind ik de reactie vanaf het podium. Want door de microfoon wordt net zo hard terug gegild. Het Oranjegeluid mocht door Domela dan als gebrul betiteld worden, het tegengeluid van de linkse beweging heeft tijdens deze manifestatie niet veel meer inhoud.

Vlak voordat ik me omdraai, lees ik op een kartonnen bord: ‘in 1980 was het leuker’. Ik kan niet uit eigen ervaring spreken – want werd pas zeven jaar later geboren – maar ik denk wel dat het waar is. In 2013 is de mobiliserende kracht van het koningshuis sterker dan ooit, maar fungeert het niet langer als succesvolle basis voor een protestbeweging. Beste Domela, ik ben een beetje in de war. Daarom zwaai ik nog een laatste keer naar het Paleis en pink ik tegelijkertijd een traantje weg.

Anne Petterson

Blog 50, 17 april 2013

Mijn God, ik sta aan de verkeerde kant

Neen, dat is geen citaat van iemand die zijn Gorter uit het hoofd citeert. Het is een gedachte van Hedy d'Ancona via via tot mij gekomen in de nadagen van de kroningsrellen van april 1980. Zij zat als Eerste Kamerlid in de Nieuwe Kerk en was getuige van de installatie van Beatrix als koningin van het gedeelte van Noord-West Europa dat voordat de Oranjes de Napoleontische monarchie kopieerden, de eerste moderne Republiek huisvestte: de Republiek van de Zeven Provinciën met de vooral door buitenlanders geciteerde en gebruikte (bijvoorbeeld voor de Onafhankelijkheidsverklaring van de VS) Acte van Verlatinghe

Buiten, op de Dam, was het een enorm lawaai. In de Nieuwe Kerk kwamen flarden van dat rumoer naar binnen. Hoe dat te beoordelen? Was de Revolutie uitgebroken of waren het relletjes van subversieve elementen? Het helpt natuurlijk ook niet voor de beoordeling dat geslaagde revoluties vaak begonnen als relletjes. En aangezien de plechtigheid sereniteit vereiste was het doorvertellen of navragen ook niet aan de orde. Neen, de positie van d'Ancona en andere bankzitters in de kerk was niet beniijdenswaardig.

Nog minder benijdenswaardig was de positie van het politiepersoneel, van de ME-ers, van de in verdrukking gekomen Oranjeminnaars en van de massaal opgekomen krakers en hun sympathisanten. De ME-ers en de krakers vochten een klassieke slag uit als bij Marathon of Thermopylae. Anders dan in de vijfde eeuw voor onze jaartelling was er een direct en een gedetailleerd verslag van radio en tv. Mythevorming en latere verslaglegging als die van Herodotus en Aischylos bleef daardoor uit. Een ordinaire matpartij.

Ikzelf was niet doorgedrongen tot de Dam. Volstrekt onmogelijk om vanuit de Kloveniersburgwal via de Hoogstraten en Damstraat naar toe te lopen. Tegenover de Slijkstraat was het een komen en gaan van ME busjes. Met de redactie van De Tand des Tijds hebben we gekeken of we in de mooie traditie van ludieke acties als in 1966 konden staan, maar een blik op de veiligheidsmaatregelen en de opruiende taal van de krakerskrantjes maakte duidelijk dat er weinig mogelijkheden waren voor ludieke acties als het fabriceren van geruchten over het verspreiden van leeuwenstront in Amsterdam. Neen, Amsterdam 1966 werd niet overgedaan. Wel hebben we nog een mooi pamflet als bijlage van het blad (editie 28) geproduceerd, maar verspreiden of aanplakken ging te ver. Misschien waren we ook al te oud.

Toch was er één ludieke actie van een persoon die op een scheidsrechtersfluitje blies precies op het moment dat de ene koningin de 'macht' overdroeg aan de andere en exact aan de overkant van het Stadhuis op de Dam. Een gevulde Dam is blijkbaar een soort rondzingend ovalen kuip. Het geluid van het snerpende fluitje kwam precies in de microfoon van de verstoord kijkende Oranjes aan. Prachtige ludieke actie. Hier had het bij kunnen blijven, zei de oude zak.

Dat een ludieke actie nu steeds nodig is blijkt wel dat buitenlanders vaak denken Nederland al vier honderd jaar - na de strijd tegen Spanje - een monarchie is. Hoe erg. We beraden ons op een ludieke actie of een historisch Grieks toneelstuk over ons belangrijkste bijdrage aan de westerse democratische wereld: de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën. 

Marten Buschman

Blog 49, 10 april 2013

Tekening van de auteur

De Reuzenpanda van Soestdijk

Als beetje suffige bijna zestiger kan ik het me zelf haast niet meer voorstellen. Maar er is een tijd geweest dat ik met lang haar, een beetje slungelige loop en in met leuzen beschilderde kleren door de binnenstad van Rotterdam zwierf. Het was in de tijd van Oranje Vrijstaat. We bezetten het Staelduinse bos tegen de aanleg van een golfbaan en voerden actie tegen de vestiging van Hoogovens op de Maasvlakte. We deden meer dan dit soort acties die waren gericht op een prettiger leefomgeving, maar langzaam kropen bij mij ideeën binnen dat het actiewezen zich op meer moest richten. Niet alleen alternatief doen, maar de macht direct aanpakken. Daar ging het om.

En toen was het zover. Op een goede dag liep ik over het Weena ter hoogte van het Groothandelsgebouw toen er vanaf CS een limousine aan kwam zoeven. Ik keek en de man op de achterbank keek mij aan. Mij, of mijn alternatieve uitdossing? Dat zal ik nooit weten, maar wat ik wel weet is dat het prins Bernhard was. Een moment heeft hij, de prins der Nederlanden, aan mij gedacht. Ik was net op de hoogte van zijn SS-verleden en door mij flitste de gedachte heen om mijn rechterarm gestrekt op te steken. Ik heb het niet gedaan. Waarom niet? Ik zou het niet meer weten.

Later, toen ik in Leiden studeerde heb ik dat goed kunnen maken. In het blad van de subfaculteit Geschiedenis schreef ik een artikel onder de titel De Reuzenpanda van Soestdijk. Het was makkelijk scoren, want Bernhard lag onder vuur. Dat hij SS-er was geweest wilde nog niet iedereen weten hoewel het omstandig was beschreven in de geautoriseerde biografie van Alden Hatch. Maar er kwamen ook andere zaken naar buiten. Mensen als de communistische journalist Wim Klinkenberg deden een boekje over hem open en de eerste foto’s van zijn buitenechtelijke kinderen verschenen in de buitenlandse pers. Het belangrijkste was natuurlijk dat de Lockheed affaire in volle gang was.

Brief van het College van Bestuur (Leiden)

Inmiddels weten we dat de beste man nog veel meer op zijn geweten had. De werkelijkheid is vaak erger dan de ergste fantasieën kunnen bevatten. Het College van Bestuur van de universiteit wist dit alles natuurlijk nog niet. Vrij snel na de publicatie van mijn schrijfseltje klom het in de pen om zijn verontwaardiging uit te spreken. Hoogleraar vaderlandse geschiedenis Ivo Schöffer wilde niet achterblijven en schreef in het volgende nummer een kritiek. Omdat ik zelf in de redactie van het blad zat en in die tijd wat hobbyde met tekenen kon ik in ieder geval de artikelen van Schöffer en mijzelf (ook mijn antwoord op Schöffer) van een toepasselijke afbeelding voorzien. De brief van het College drukten we integraal af. Daarmee was de zaak afgedaan, hoewel ik enkele jaren geleden in het Leidsch Dagblad nog om eerherstel heb gevraagd. We weten nu toch wat een boef Bernhard was? Maar mijn bede was tevergeefs.

Eind jaren tachtig had ik in Leiden een café. Dat lag om de hoek van de studentenkamer van de toekomstige koning aan het Rapenburg. Een heel enkele keer heb ik zo nog wat aan het koningshuis verdiend. Een prins binnen en een bewaker in een auto op straat.

De macht aanpakken zoals ik rond 1970 wilde, is er nauwelijks van gekomen maar wel heb ik innige contacten met het Koningshuis onderhouden. Ze zeggen wel eens dat je in enkele stappen bij een beroemdheid bent. Wie er ook bij wil horen hoeft me maar aan te spreken.

Sjaak van der Velden

Blog 48, 3 april 2013

De wieg voor Juliana (1909)

De wiegen van de bourgeoisie

Bij de inhuldiging van prinses Wilhelmina tot koningin in de Nieuwe Kerk te Amsterdam op 6 september 1898 laten de beide Kamerleden der SDAP, Troelstra en Van Kol, zich niet zien. Zij en hun partij wensen niets van doen te hebben met het erfelijke en anti-democratische koningschap. De biograaf van Wilhelmina, Cees Fasseur, verhaalt dat Troelstra kort erop in de Tweede Kamer attendeert op het ogenschijnlijk merkwaardige fenomeen, dat de door de gegoede burgerij geforceerde liberale grondwet van 1848 de macht van de monarchie heeft gebroken, terwijl diezelfde burgerij in 1898 het inhuldigingsfeest heeft gearrangeerd.

De reden ligt in de ogen van Troelstra en de zijnen voor de hand: het Huis van Oranje is door de bourgeoisie tot werktuig gemaakt om het volk dom te houden en de eigen geldheerschappij te vereeuwigen. En inderdaad stijgt bij de huldigingsfeesten van 1898 de  ‘spontane’ Oranje-jubel omhoog als getuigenis van de vereniging der ganse natie rond het door de burgerij gecreëerde monarchale eenheidssymbool.

Nadat Wilhelmina  op 7 februari 1901 in het huwelijk treedt met prins Hendrik, duurt het nog tot 30 april 1909 eer een koningskind wordt geboren. In aanloop naar deze blijde gebeurtenis, blijkt Troelstra opnieuw spelbreker door zich in de Tweede Kamer te distantiëren van een driewerf hoerageroep vanuit de omringende bankjes. Het meest verontwaardigd over deze ‘demonstratie’ betonen zich liberale Kamerleden, waaronder K. Reyne, die volgens vermelde Fasseur, luide ‘Bah’ roept over zoveel schaamteloosheid. De hier opnieuw blijkende verknochtheid van de liberale burgerij aan de monarchie verleidt vervolgens de marxistische theoreticus Pieter Wiedijk, pseudoniem J. Saks, tot een  beschouwing in het marxistische maandblad De Nieuwe Tijd, welke aansluit bij de opvatting van Troelstra. De titel van het betoog, ‘De Wiegen’, verwijst spottend naar de wiegen die ten paleize door de burgerij worden aangeboden en wel in zodanige aantallen, “dat de ruimste kinderkamer er een bazar door zou worden..” Hoewel deze wiegen de eenheid lijken te symboliseren tussen monarchie en liberale bourgeoisie, heeft er toch tot voor kort een antithetische verhouding bestaan tussen beide.

In een fraai ‘historiserend’ betoog toont Wiedijk aan, hoe tijdens de Republiek er een onafgebroken strijd woedt tussen de hogere bourgeoisie der regentenklasse en de Oranjes, terwijl de zegevierende moderne bourgeoisie de liberale Umschwung van 1848 forceert, die de als “zelfstandige klasse” vernietigde monarchie degradeert tot “ceremoniemeester der burgerlijke festijnen”. Zo wordt een “stadhouderloos tijdperk met behoud van den stadhouder”, lees de tandeloze monarchie, geboren wier decoratieve functie is bedoeld om de maatschappelijke en politieke macht van de bourgeoisie te schragen. Deze decoratieve en unificerende rol is des te noodzakelijker tegen de achtergrond van de in kracht toenemende socialistische arbeidersbeweging, die een dodelijke bedreiging vormt voor de klassenheerschappij der bourgeoisie. Waar het individualistisch-materialistische liberalisme zélf geen unificerende symbolen en idealen bezit, wordt de monarchie, verbonden met de godsdienst en het leger, opgewaardeerd tot symbool van een als klassenloos, vereend en solidair voorgestelde volksgemeenschap.

De door Wiedijk gesignaleerde maatschappelijke functie van de monarchie, bezit tot de dag van vandaag een opvallende realiteitswaarde. Als voorheen berust de door de huidige elites aangewakkerde Oranje-liefde op ontbrekende solidariserende mechanismen vanuit de ‘ijskoude sjacher’ van de dominante kapitalistische marktsfeer. Deze factor klemt temeer met het oog op de catastrofale maatschappelijke gevolgen van de almaar voortwoekerende economische crisis. De door de (staats)media uitgedragen sacralisering van de monarchie rond de komende troonsoverdracht, heeft dan ook alles van doen met de weinig sacrale gevolgen van het door de huidige liberalen én sociaal-democraten gekoesterde moderne kapitalisme!         
    
Henny Buiting

Blog 47, 26 maart 2013

Laatste nummer van De Onderduiker

Feiten komen nooit alleen

'Historici hebben er wel eens een handje van zulk soort (minachting voor het volk, mb) dingen 'in hun tijd' te begrijpen'. Met deze moralistische uitspraak in zijn proefschrift Cultuur in Nederland 1946 - 1955. Feiten en Meningen (p. 12) uit 1977 was Joost Smiers zijn tijd ver vooruit. Steeds meer blijkt er felle morele kritiek op beschrijvers van geschiedenis, die evenementen, hoe verschrikkelijk ook, in de context van de tijd te plaatsen en daardoor begrijpelijk maken.

Feiten hebben de neiging niet alleen te verschijnen. Maar met een context, die van henzelf of van de beschrijvers. Dat gezegd hebbend is het natuurlijk niet zo dat er twee, drie of vier waarheden bestaan, die weinig met elkaar te maken hebben. Zo is de discussie over de NTR-serie De Slavernij heel verhelderend. De doelstelling van de makers om de Nederlandse rol in de Atlantische slavernij bekend te maken kan je geslaagd noemen. Tegelijk riep de serie veel weerstand op met name over wat de slavenhandel nu wel of niet geweest was: een misdaad tegen de mensheid of een andere vorm van de slavernij in het algemeen naast die van Islamitische, Romeinse, Griekse en 'noem maar op' slavernijsystemen. Of allebei. Positief was in ieder geval dat de woordenwisseling plááts vond. Zie voor een overzicht en analyse het artikel van Guno Jones.

Ook de feiten van de holocaust in Nederland verschijnen niet alleen. Je krijgt er meteen een mening en een context bij. De zoektocht naar wat er precies gebeurd is, is al moeilijk genoeg. En dat geldt des te meer voor vraagstukken als 'hebben Nederlanders geweten van de gaskamers'. Een verbijzondering van de constatering dat iedereen wist dat de Joodse Nederlanders weggevoerd werden en een zeer slechte tijd in werkkampen tegemoet gingen. Bart van der Boom heeft een bijzonder en uitvoerig onderzoek gedaan en een boeiend boek 'Wij wisten niets van hun lot' geschreven over de eerste vraag. Hij kwam tot de conclusie dat Nederlanders (joden en niet-joden) het niet wisten. Die constatering is hem niet in dank afgenomen. Hij heeft veel over zich heen gekregen van mensen die al wisten dat het anti-semitisme van de Nederlanders de oorzaak was van het niet-zien van de gaskamers. Er waren ook veel beledigende niet-feitelijk gerichte opmerkingen als 'wat hebben je ouders in de oorlog gedaan?'. Weinig nuances kortom. Op zijn blog kun je alles nalezen. 

Arie Hoogland met fiets en Frans Buschman in regenjas (gemaakt door zijn zus van twee lakens), Schoterweg Haarlem mei 1945.

Ook mijn moeder - van 1924 - wist van niets over de gaskamers. Dat zegt op zich niet zoveel ware het niet dat mijn ouders hebben meegewerkt aan De Onderduiker, een ondergronds blad in Haarlem. Dat verscheen van 16 oktober 1944 tot en met 14 mei 1945. De reden van de uitgave was dat de Haarlemmers geen elektriciteit meer bezaten en dus verstoken waren van informatie over het verloop van de oorlog. Erik Badart, Piet Donders, Gé Hurkmans, Arie Hoogland, mijn vader en moeder Frans Buschman en Thea Kooij waren redacteuren, schrijvers, stencillaars en verspreiders. Mijn moeder was ook een typiste. Alle medewerkers waren beter op de hoogte dan de andere Haarlemmers. Eric Badart luisterde dagelijks naar de radio. De feiten van de gaskamers worden in het blad niet genoemd. 

Er was veel aandacht voor oorlogsnieuws: hoe ver de geallieerden gevorderd waren. Daarnaast ook geheime communicatie in de zin van 'the nightingale sings', 'de snoek is gevangen', 'De jas is groen' en 'Tante Bepje is doof'. De leesbare hoofdartikelen gaan over vele onderwerpen, zoals de dood van Roosevelt en van Colijn. Een opvallend artikel is die over Goebbels: 'Als Dr. Jozef in Amerika was geboren en Amerikaan was inplaats van Duitser, zou hij ongetwijfeld propagandachef zijn geworden van een of ander scheermesjes- of tandpasta-concern'. Een opvallend genuanceerd verhaal na vier jaar bezetting en in de aanloop naar de hongerwinter. 

Ik bedoel maar. De nuance en de queeste naar de feiten met context horen m.i. centraal te staan.

Marten Buschman

Blog 46, 7 maart 2013

Foto van voorbijflitsende gitaar

Woody in de trein

Toeval bestaat, maar soms lijkt het onberekenbare wel geregisseerd. 

Op dezelfde dag dat ik het nieuwste boek van Woody Guthrie, dat pas vijftig jaar na zijn dood en zestig jaar na het schrijven uitgegeven is, gekocht heb in Amsterdam (ik woon in Den Haag, maar daar hebben ze een andere inkoper dan de Amsterdamse van de American Book Center) zie ik op de terugweg in de intercity, neen hoor ik zo'n vervelende als zanger vermomde bedelaar met gitaar. En opkijkend zie ik dat hij inderdaad niet kan zingen čn op zijn gitaar geschreven had: 'this machine kills ingnorants'. Ik roep meteen 'fascists', de rest van de NS-clientčle schrikt op, en hij met een glimlach roept Woody! Verrassend, nog verrassender: This land is your land kon hij niet spelen.

Eveneens opmerkelijk is de inhoud van het boek House of earth: modern, gewaagde scenes (Inside his overalls Tike felt the movement of his penis as it grew long and hard), spannende dialogen, kritiek op de christelijke God (th' Lord was dead wrong about what he had done to poor old Adam an' Eve) en een pleidooi voor een menselijke behuizing van de slachtoffers van de Dust Bowls: een Adobe.

Adobe kent tegenwoordig iedereen als de Acrobat reader software, maar in de VS van de jaren veertig was en is het in feite nu nog een eenvoudige methode om snel huizen in elkaar te zetten, een house of earth noemt Woody dat. Adobe is een van de oudste wijze van bouwen. Het woord dateert uit Egypte van 4000 jaar geleden.

Het verhaal van Woody is een roman over dezelfde tijd als John Steinbecks' Grapes of Wrath. Woody wil meer dan Steinbeck, hij toont niet alleen de ellende, maar zorgt ook voor optimisme: 'I hate a song that makes you think that you are just born to lose'. Of een boek. Zijn boek House of earth! Een boer en zwangere boerin zitten klem met hun huis, dieren, de slechte grond en vooral met de verhuurder, de landeigenaar. Want beter dan Steinbeck had Woody in de gaten dat niet de weersomstandigheden de ellende veroorzaakten, maar dat het de bankiers en de landeigenaren waren. In hun inleiding constateren Douglas Brinkley en Johnny Depp dat in de jaren dertig en veertig een analyse, dat de bankiers de schuld hadden aan de zure druiven, niet zo aanvaard was en direct als communistisch veroordeeld werd. Vijftig jaar later, zoals in de jaren tachtig organiseerden de zangers Willie Nelson en Neil Young een Farm Aid: "a movement of the 1980s to stop industrial agriculture from running amok on rural families". Toen kon het wel. De erfenis van Woody groeit, zoals ook de samenstellers van de Crash Courses in World History op hun Apple This machine kills fascists Woody wel goed citeren.

Toeval bestaat en dat is soms wel spannend.

Marten Buschman

Blog 45, 25 februari 2013

Tweemaal Roel van Duijn

Onder anarchisten !

Afgelopen vrijdag 15 februari was er een mooie bijeenkomst in Amsterdam naar aanleiding van het veertigjarig bestaan van het blad De As. Aardige toespraken met veel zelfspot. Meest opvallende toespraak en vooral veel verweer oproepend was die van Roel van Duijn.

Roel sprak over zijn leven als beroepsrevolutionair vanaf het jaar 1961 toen hij door de directeur van het Haags Montessori Lyceum gestuurd werd. Vanaf die tijd is hij geschaduwd door de BVD en zijn 'zijn' bewegingen en organisaties geďnfiltreerd door de BVD. Alle energie van de BVD ging zitten in het bespioneren en manipuleren van het anarchisme in Nederland. Tijd voor het oprollen van het spionagenet van Abdul Khan was er niet. Deze vent heeft in de jaren tachtig uit Nederland geheimen meegenomen naar Pakistan, zodat dit land (en Noord-Korea) ook een atoombom kon maken. Over prioriteiten gesproken!
 
Zijn betoog (zie het opgenomen verslag) dat er op het ogenblik in Nederland geen revolutie (of eigenlijk evolutie), zoals in de jaren zestig en zeventig, nodig is, riep weerstand op. Behalve dat sloot zijn verhaal aardig aan met het laatste boek van Steven Pinker The Better Angels of our Nature. Pinker toont aan dat de twintigste eeuw de minst gewelddadige en meest geciviliseerde eeuw in de laatste tienduizend jaar van de geschiedenis van de mensheid is, inclusief de twee wereldoorlogen. Pinker gebruikt veel statistieken.

Roels betoog was - als een echte alfa - verhalend, zowel achter de spreekstoel als in zijn fraaie recente boek. Maar niet minder overtuigend, althans voor mij. De anarchisten in de zaal waren minder gecharmeerd. Uit de zaal kwam gebrom en ook antwoord: in Nederland is de anarchiste Joke Kaviaar opgepakt vanwege 'opruiing', d.w.z. kritiek op het uitzetten van vreemdelingen. Ze werd veroordeeld tot vier maanden en ging in hoger beroep. Zie hier één van haar teksten. En een ander stelde geen vraag, maar hield in goede anarchistische traditie een tegenbetoog van meer dan vijf minuten.
Deze veroordeling en het betoog deden volgens Roel niets af aan zijn bewering. Volgens anderen wel. 

Zo ook met de analyse van Pinker. In eerste instantie is het ook even met je ogen knipperen als je je de slachtingen van de jaren tien, dertig en veertig van de vorige eeuw realiseert. Maar alles heeft met statistiek en historische nabijheid te maken. Bij nader inzien kennen we natuurlijk de slachtpartijen van Caesar, de Romeinen tegen de Joden (in de jaren 66, 115 en 132) en vooral die van Genghis Khan. In de lijst van grootste slachtpartijen staat de tweede wereldoorlog pas op de negende plaats. Ook met deze statistieken zijn velen het niet eens.

De andere inleiders, onder anderen Boudewijn Chorus en Rudolf de Jong, waren onderhoudend, maar voor een niet-anarchist als ik was die van Weia Reinboud over anarchisme en vrijheid onbegrijpelijk en gelukkig kort.

Veertig jaar De As en een mooie bijeenkomst met zovele meningen als er anarchisten zijn.

Marten Buschman

Blog 44, 13 februari 2012

De christelijke Domela Nieuwenhuis

‘Ferdinand Domela Nieuwenhuis was een prediker, en daar kon hij niets aan doen’, is de fraaie openingszin van de mooie biografie die Jan Willem Stutje schreef over de beroemde Nederlandse anarchist. Domela kwam voort uit een geslacht van predikanten en het lag in de lijn der verwachtingen dat ook hij in deze traditie zou doorgaan. Natuurlijk hoeft niet elke boerenzoon boer te worden of timmermanszoon timmerman, maar Domela toonde weinig ruggengraat, volgens Stutje: ‘hij onderwierp zich gemakkelijk aan het ouderlijke en kerkelijke gezag’. Van vrijzinnigheid moest Domela niets hebben; hij deed en dacht als zijn vader. In Stutjes biografie blijkt niets van een eigen godsbeeld van de jonge Domela. Wie was God, hoe stelde hij zich God voor? Blijkens de biografie ontbrak het Domela aan eigenzinnigheid en wordt er een direct verband gelegd tussen de waardering voor zijn vader en zijn bestemming in de theologie. Daarbij ging de vader niet over eendags ijs, hij bereidde hem fanatiek voor op zijn opvolging.

Bij Domela’s broer lag dit anders. Deze werd bevangen door twijfel tijdens zijn studie theologie. Hij verloor het geloof in God en brak daarmee met zijn vader. Dit leidde tot heftige taferelen bij de Domela’s thuis, die mooi en indringend door Stutje beschreven worden. Het huiselijke drama maakte grote indruk op de onzekere Domela Nieuwenhuis. Hij kon de verwachting niet meer beschamen, hij mocht zijn vader niet teleurstellen, hij moest hem opvolgen. Zo vervlocht de religie zich met zijn vader en blijft de dringende vraag open: wat was Domela’s godsbeeld? Heeft hij als zoveel jonge theologiestudenten en predikanten een zoektocht ondernomen naar zijn God? Wat was zijn beleving?

Later, als Domela terugkijkt op zijn leven, ligt dat duidelijker: ‘mijn theologie is antropologie’. Maar in zijn jonge jaren was zijn theologie nog de familie en God zijn vader. Daarom leidde zijn contact met de moderne theologie ook niet tot een identiteitscrisis; zijn godsbeeld werd niet aangetast. Het modernisme zette de theologie in die dagen wel op zijn kop, maar het raakte Domela niet persoonlijk. Daarentegen raakte het modernisme volop de verhouding met zijn vader. Met de aarzeling over geloof en God die bij Domela ontstond, kwam zijn relatie met familie en met name zijn vader onder druk te staan. De ontworsteling aan God, was de ontworsteling aan zijn vader. Stutje laat er geen twijfel over bestaan: de godsdienststrijd was een generatieconflict.

Maar Domela wilde zijn vader een (nieuwe) ontgoocheling besparen en zweeg. Stelt Domela hier de werkelijkheid mooier voor dan zij was? Pas nadat zijn vader stierf, kwam hij openlijk voor zijn modernistische ideeën uit. Was hij niet gewoon te laf en te zwak om zich tegen zijn vader te verzetten? Zelf maakte hij er ‘een tijd van naamloos lijden’ van. Het is de romanticus Domela die er in retrospectief  een mooie draai aan geeft. Hij zocht een menselijke Jezusfiguur, maar God was een vaag ding geworden, een wankele schuilplaats die een tijdelijk oponthoud was voor zijn zoektocht naar de waarheid, zoals het in zijn memoires Van christen tot anarchist heet. Het lijkt op christelijk gezwijmel ter verhulling van zijn zwakte. Een echt gelovig en belijdend christen, lijkt hij niet te zijn geweest. Hij kwam uit een christelijk milieu, dat hem vormde.

Ferdinand Domela Nieuwenhuis was christelijk, en daar kon hij niets aan doen.

Arno Bornebroek

Blog 43, 10 januari 2013

Is Jolande Sap gecoltoft?

De treurige geschiedenis in 2012 van GroenLinks met Jolande Sap in de hoofdrol zal iedereen zich herinneren. Na het vertrek van Sap is er een commissie ingesteld, die zal onderzoeken wat er gebeurd is en hoe het nu verder moet.

De parallellen met andere kwesties in GroenLinks en in andere partijen van linker- en rechterzijde zijn in overvloed aanwezig. Eén van de voorbeelden is die van de scheiding der geesten in de socialistische beweging in de beginjaren negentig van de negentiende eeuw: de oprichting van de SDAP. U kent het wel: de advocaat Piter Jelles Troelstra kwam in opstand tegen de ‘anarchistische alleenheerschappij’ van Ferdinand Domela Nieuwenhuis in de SDB en heeft daarom een eigen partij opgericht samen met elf andere 'apostelen'. Daarvan zijn Willem Vliegen, Jan Schaper en Henri van Kol de belangrijkste medestanders en in feite de eigenlijke hoofdrolspelers. Maar goed: het is nu tijd om een ander lid van de socialistische familie voor te stellen, want bij dit soort splitsingen is het niet alleen een ideologische kwestie maar ook en misschien wel vooral een zaak om de bestaande vriendschapsbanden door te breken. En Sam W. Coltof was zo iemand die daar uitstekend geschikt voor was.

Voor Coltof is het gepast een nieuwe alinea te beginnen.
Zo begint Pieter Wiedijk zijn beschrijving van deze man. Een romantische samenzweerder is wel het meest aardige wat over Coltof, de schrijver van de Achturenmars (gezongen door SDAP-ers in het parlement bij de aanname van de achturenwet in 1919) gezegd kan worden. Vooral de geschiedschrijvers van de sociaal-democratie Vliegen en Troelstra waren zeer negatief over hem. Volgens de laatste was Coltof ‘een mijner meest geslepen vijanden’. Commentaar van Wiedijk: ‘Helaas, het moet erkend worden. Coltof wás een vijand en wás geslepen en spéélde een hoofdrol in de intriges, tegen Troelstra niet alleen maar tegen de parlementairen in’t algemeen’. In een terugblik in het tijdschrift De Nieuwe Tijd van enkele jaren na 1894 schreef hij dat de aanstaande SDAP-ers ‘gecoltoft’ (geslachtofferd) werden. Het woord was een tijdje populair, maar dit eponiem is niet beklijfd.

Maar het gaat mij om iets anders. Wiedijk schetst hem vooral als scherpslijper, die de belangrijke rol speelt om de baringsweeën van een nieuwe partij te verkorten en de eenmaal vertrouwde banden van ex-partijgenoten door te snijden. Zoo ook, denk ik, moeten we de historische rol zien van Jolande Sap. Groenlinks was voor december 2011 een partij die behalve een groensocialistische ideologie ook liberale idealen toeliet. Dat was vooral het werk van de partijleider Femke Halsema. Zij wilde vernieuwing van het oude links revolutionaire gedachtegoed. Het werkte wonderwel. Maar het werkte vooral, omdat zij redelijk onaantastbaar was in haar leiderschap en vooral ook omdat ze beide richtingen in zich verenigde. En zij liet zich niet verleiden om te veel naar de ene of de andere kant door te slaan.

Na de terugtreding van Halsema zien we dat Sap vooral de liberale kant en de neiging om macht uit te oefenen (iets dat bij de partijleden altijd een beetje moeilijk lag) zonder restricties uitvoerde. En doordrukte. Uit de reconstructie, die redacteuren van Vrij Nederland maakten, blijkt helder dat zij wilde dat de ‘partij op weg naar de macht’ en voor concrete successen was. En ze heeft daarvoor de Kunduz-missie en het Lenteaccoord met resp. haar machtswoord bij de Kamerfractie en zonder restricties van het ijkpunt van de groenlinkse partij-ideologie uitgevoerd. Daarin lijkt ze op de scherpslijper Sam Coltof. Zij heeft duidelijk gemaakt dat de dubbelstrategie van GroenLinks niet echt werkte en aan innerlijke tegenstellingen ten onder ging. Dat is haar historische verdienste, zoals Coltof de ideologische breuk in 1894 versterkt had met persoonlijke afbraakcampagnes.

De partij en dan met name de Amsterdamse coryfeeën hebben een rol gespeeld in het terugtreden van Sap. In dat opzicht zou je kunnen zeggen dat de Amsterdamse partijgenoten haar ‘gecoltoft’ hebben. Maar naar mijn idee is het vooral Sap zelf die voor de Nederlandse kiezers duidelijk heeft gemaakt dat de partij met deze dubbelstrategie een overbodige organisatie is. En om maar geen flauwe woordspelingen te maken: Sap heeft de partij, zoals die was, verlost uit zijn lijden.

Coltof en Sap een paar apart.

Marten Buschman

Blog 42, 20 december 2012

Zure linkse mensen

In de media duikt geregeld het beeld op dat linkse mensen en al
helemaal die uit de jaren zeventig zo zuur zijn en waren. Altijd maar
mopperen, nooit eens relativeren en de lol straalt er ook niet echt
vanaf. Over feministes uit die jaren hangt een nog muffer imago. In
tuinbroeken, mannenhaatsters, te vies om aan te pakken maar wel overal
vooraan staan en kritiek spuien.

In een artikel dat vandaag in Nieuwsbrief 21 staat, werd dat beeld weer eens naar voren gehaald. Waar komt dat beeld toch vandaan? Ik heb die jaren toch ook meegemaakt. Ik was erbij in Doodewaard, Kalkar. Amelisweerd, de havenstaking van 1979 en woonde samen met een feministische vriendin maar heb geen herinneringen aan opgestapelde zurigheid. Integendeel zelfs. In mijn herinnering was het een tijd van veel acties naast studie en werk, maar ook een tijd van veel lachen. We gingen naar de kroeg en hadden ook daar veel lol. Niks zuur, we hadden hoop op een betere wereld, streden daarvoor, maar namen er ook alvast een voorschot op.

Misschien zijn sommige mensen die toen actief waren op links afgeknapt. De aanschaf van een designbril en het goedbetaald voltooien van de lange mars door de instituten verleiden sommige spijtoptanten misschien tot een meewarige blik op hun linkse verleden. En dan kun je je maar beter radicaal daartegen afzetten. En er was nog niks niet aan ook. Maar ik kan me niet voorstellen dat door deze groep het beeld bepaald kan worden. Er moet iets anders aan de hand zijn.

Natuurlijk maakten we ons druk over de moordpartijen van Pinochet en Vorster (die van Mao daar hadden we nog wel eens twijfel over en Mugabe en Neto vonden we sowieso goeie gasten). Ook waren we echt bang voor een atoomoorlog en vonden we allemaal dat gelijk loon voor gelijke arbeid moest. Maar er was veel ruimte voor humor en relativering. En in het café heb ik wel eens gedart met een tijdelijk tot de vrouwenliefde bekeerde dame in een tuinbroek. Waarom kleeft dan toch dat beeld van zure zeikerds aan ons?

Zou het misschien komen door dat het beeld van links in de jaren zeventig vooral wordt bepaald door wat er in de hoofdstad gebeurde? En een beetje in Nijmegen. In Nijmegen brak een eeuwenoude traditie van jezuďtische leugenachtigheid in stukken en van de weeromstuit sloten veel studenten zich aan bij de even leugenachtige KEN of SP. Heel anders was dat uiteraard in Amsterdam. Dat is toch de stad van de flower power? Daar gebeurden toch de leuke dingen? Daar kwam het allemaal vandaan. Ja, maar ook een hoop fanatisme. In de studentenbeweging van de hoofdstad, toch de kraamkamer van veel links rumoer in die jaren, waren de communisten van de CPN smaakmakend en beeldbepalend. De leninistische kadaverdiscipline was wel aan het slijten maar zeker nog niet dood. Communisten van allerlei pluimage maakten dus de dienst uit in Nijmegen en Amsterdam en ze hadden ook een bloedhekel aan elkaar, niet alleen aan de kapitalisten. Daar hadden wij in het vanouds liberale Leiden niet zoveel last van; communisten en maoďsten waren er wel maar we wisten ze onder controle te houden.

Dus misschien klopt het beeld van zuur links wel voor de cameragenieke activisten in Amsterdam en Nijmegen. Ben ik even blij dat ik in Leiden ging studeren omdat dat zo lekker dicht bij Rotterdam ligt. Aan mijn lijf geen hoge zuurtegraad.

Sjaak van der Velden

Blog 41, 6 december 2012

Fanny achter de mitrailleur

De vuile handen van Tanja en Fanny

Nederlanders, soms begrijp ik ze niet. Hebben we eindelijk een 'global heroine' Tanja Nijmeijer, dan is er weer hyperkritiek. Bloed aan haar handen, terroriste, cocainedealer, gewelddadig en wat al niet. En dan de media: de een valt over de ander heen. En vooral een afgewogen oordeel is ver te zoeken. In de Volkskrant van 17 november j.l. een interview met Nijmeijer met suggestieve vragen en vooral daaronder het stuk met het verhaal van een gevangene van de Farc. Neen een duidelijk en genuanceerd beeld van de situatie levert het niet op.

Een revolutionair Nederlandse vrouw strijdend op locatie. Dat is eerder voorgekomen: Fanny Schoonheyt in de jaren dertig in Barcelona. Ook toen was het op dat moment niet duidelijk wat er precies gebeurde. Wat wel duidelijk was: de ongenuanceerd van de pers en de overheid tegenover de Nederlanders, de Spanjestrijders, zoals Herman Scheerboom de laatste, overleden in september 2010, in de Spaanse Burgeroorlog heeft ondervonden. Zij waren internationaal de eersten die streden tegen het fascisme van de Tweede Wereldoorlog. Onthaald als vrijheidsstrijder? Welneen! Nederlanderschap afgenomen en zelfs Tweede Kamervragen stellen over de lunch die de Nederlandse begeleider aan de uitgehongerde mannen - berooid,  gewond en vele vrienden verloren - op weg terug naar Nederland na de nederlaag in Barcelona heeft gegeven. Dat moesten de Spanjestrijders zelf maar betalen. 

Holland op zijn smalst!

Het waren allemaal mannen, want het enige meisje onder de strijders Fanny - la Reina de la Ametralladora (de foto komt uit De Limburger, augustus 1936) - Schoonheyt verbleef in Frankrijk, vluchtte hoogzwanger met vele anderen naar de Dominicaanse Republiek en kwam pas in de jaren vijftig naar Nederland. En zweeg. De meer dan prachtige biografie van Fanny Schoonheyt door Yvonne Scholten heeft dan ook witte en grijze plekken. Duidelijk is wel dat Fanny een heroisch leven heeft gekend. Niet alleen als mitrailleuse, vliegenierster, diepzeeduiker, fotografe maar ze speelde ook een belangrijke rol ('onze Fanny') in het sociale leven op Curacao in de jaren vijftig. 

De gelijkenissen tussen Tanja en Fanny zijn overduidelijk, ook met betrekking tot de PR-inzet van beide Hollandse vrouwen. Ook de rol van Tanja kan je heroisch noemen: een moedige stap om van het rustige Nederland naar de guerilla in de rimboe te gaan. Zo'n beslissing is niet niets, ik zou het niet doen.

Fanny had een medaille moeten hebben voor haar strijd in Barcelona en omgeving. Het is door inzet van haar en haar internationale en Spaanse vrienden dat Spanje zo verzwakt was dat Franco niet meer in staat was ook maar iets buiten de grenzen te ondernemen. Franco bleef buiten de Tweede Wereldoorlog. Niet onbelangrijk bij een beoordeling achteraf. Die beoordeling van de situatie in Spanje was en is moeilijk omdat zoals Orwell het uitdrukte de strijd in Spanje 'een rijkere oogst aan leugens' opleverde dan enig andere in de twintigste eeuw'.  Door de  - in vergelijking met tachtig jaar geleden - zeer snelle informatiedeling weten we nu meer over Tanja dan toen en nu over Fanny. Desondanks is een beoordeling van de gebeurtenissen in Colombia door desinformatie van beide kanten nog steeds moeizaam. Een genuanceerd beeld ontbreekt.

Dat een Nederlandse een bijdrage heeft geleverd aan een mogelijk democratiseringsproces van Colombia is opvallend en zou meer positief beoordeeld kunnen worden. En of ze evenals Fanny een medaille verdient? Dat moeten we afwachten als meer bekend wordt over de gebeurtenissen in Colombia.

Marten Buschman

Blog 40, 29 november 2012

Den Haag als centrum van de wereld

Als je, zoals ik, veel steden bezoekt in het kader van werk voor de gemeente Den Haag en dan ook ontvangen wordt door burgemeesters, les syndics of Lord Provosts geheten, dan blijken al die steden zo niet het beginpunt van de westerse samenleving dan toch wel belangrijke scharnierpunten in die westerse samenleving. Voor Rome en Athene is dat natuurlijk wel duidelijk maar bijvoorbeeld Birmingham?

Twee jaar geleden op mijn laatste internationale conferentie vertelde Tony Robinson, beter bekend als Baldrick in de serie Blackadder, dat zijn stad Birmingham de belangrijkste rol gespeeld had in de ontwikkeling van het Engelse Kapitalisme. Birmingham was de eerste industriële stad voordat Manchester dat werd. Drie voorbeelden. Francis Grafton ontwierp de eerste weerkaarten, niet veel afwijkend van de hedendaagse, skateboards zijn een vinding van een van de inwoners en de eerste openbare straatverlichting op gas was in Birmingham. Baldrick deed het met veel humor, zodat we het konden hebben.

Zonder die humor heeft ook Den Haag zich gemengd in het koor van de 'wij zijn de eersten'-operette. Annemargriet Vaartjes publiceerde het boekje Haagse Primeurs, dat vooral bedoeld is om de Hagenees weer trots op Den Haag te laten zijn. Ik heb altijd gedacht dat alle Hagenezen trots op hun stad zijn. Maar dat is niet zo. In 2004 bij de start van het Bureau Internationale Zaken kregen we als een soort nevenopdracht van de directeur Nico van Mourik mee dat de bewoners weer trots op Den Haag moesten zijn, want uit een landelijk onderzoek bleek dat maar een kwart fier was in tegenstelling tot de 85/90 procent van de Rotter- en Amsterdammers. Ik geloofde er niets van, maar navraag bij collega-ambtenaren en geboren en nog steeds wonend in Den Haag bleek dat het concept Den Haag niet leefde. Wel waren ze voldaan op Loosduinen of Scheveningen.

Verbijsterend !

Dus een mooi initiatief en fraai vormgegeven. Het lezen viel echter niet mee. En dan gaat het niet omdat er veel zaken niet in staan, maar wat er wel in staat. Of liever over de keuze wat er wel in staat. Het is vooral elitair en chic Den Haag, dat aan de lezer voorbijtrekt. Bij onderwijs noemt de schrijfster, uiteraard rondleidster bij het voornaam Haagse 't Gilde en niet bij de meer persoonlijke Greeters-organisatie, wel het Stedelijk Gymnasium Haganum maar niet de lagere school van Jan Ligthart met zijn nieuwe lesmethode Het Volle Leven, met onder anderen 'Ot en Sien', in de Schilderswijk noch het Nederlandse Lyceum, de eerste school met HBS en Gymnasium met Lely en Lorentz als bestuursleden. Wel de galerij van Willem V, maar niet de wat meer volkse Passage, wel de tennishal in Marlot, maar niet de sporthal De Mussen. Wel het Haagse Bouwen in Benoordenhout, maar niet de opvallende bouw in Laakkwartier of de revolutiebouw van de Schilderswijk.

Sociale evenementen ontbreken geheel, zoals de Rode Dinsdagen (uniek voor Nederland) uit het begin van de twintigste eeuw, of zoals de vroeg feministische Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid van 1898.  Deze belangrijke gebeurtenissen zijn inderdaad niet chic, maar wel voorbeelden van zaken waar de bewoners van Den Haag met fierheid, trots, voldaanheid en eergevoel op kunnen terug- en toezien.

Het niet-sjieke Den Haag ontbreekt geheel. De tweedeling veen-zand overschaduwt dus de fierheid van Den Haag. Het echte trots-zijn begint volgens mij met de erkenning dat Den Haag zowel volks als sjiek is.

Marten Buschman

Blog 39, 22 november 2012

Het geboortehuis van Anton de Kom

De last van een monumentale geschiedenis

Na 37 jaar onafhankelijkheid kent Suriname veel geschiedbeoefening, maar nog weinig geschiedschrijving, stelde Maurits Hassankhan op 15 oktober 2012 tijdens zijn openingslezing bij het Symposium Geschiedschrijving Suriname aan de Anton de Kom Universiteit in Paramaribo. En inderdaad, Paramaribo kent veel monumenten die verwijzen naar het verleden, maar er is aan de Universiteit weinig wetenschappelijk onderzoek naar dat verleden. Na vier jaar intensief de vroegmoderne geschiedenis van Suriname bestudeerd te hebben mocht ik aanwezig zijn bij het symposium om te luisteren naar discussies over het dekoloniseren van geschiedschrijving en het opzetten van een BA-curriculum aan de Universiteit. Mijn eigen presentatie op het congres ging over het onderzoeken van de vroegmoderne uitwisseling van goederen, mensen en ideeën buiten de geijkte contacten tussen Suriname en Nederland. Zowel het leven als het werk van Anton de Kom zijn een persoonlijke bron van inspiratie, en nu ik in Suriname was kon een bezoek aan zijn geboortehuis niet uitblijven.

Dat Anton de Kom niet voor iedere Surinamer een gevierde volksheld is bleek al toen we met onze Afro-Surinaamse taxichauffeur door de Anton de Komstraat in Paramaribo reden, maar hij ons niet kon vertellen of we het geboortehuis van deze revolutionair hier zouden moeten zoeken. Zoals veel straten buiten het directe centrum van Paramaribo rond het middaguur in de droge tijd is de Anton de Komstraat lang, breed, stoffig en rustig. Veel van de huizen staan los naast elkaar, met een tuin er om heen, en veel mensen hebben een hek. Aan de kant waar we de straat in komen lopen is een autowasbedrijf. De jongens die er werken begrijpen niet helemaal waar we naar vragen als we zeggen dat we het huis van Anton de Kom zoeken. Na een tijdje gaat er toch een lampje branden, ‘ja, daar verder zie je een monument, daar moet je vragen.’

De buurt waar de straat doorheen loopt is Frimangron, vrij vertaald Vrijmansland. Dit stuk grond is in de achttiende eeuw bij de stad gevoegd. Tijdens de langdurige strijd tussen de koloniale macht en de groepen van voormalige slaven die zich buiten het plantagegebied hadden gevestigd was een van de gouverneurs op het idee gekomen om ‘geslaafden’ in te zetten in deze strijd. De leden van deze legereenheid kregen na hun diensttijd hun vrijheid en een stukje grond bij de stad. Deze groep van Redi Musu (roodmutsen) is later het prototype voor de verrader en collaborateur geworden, ze hielpen immers vrijheidsstrijders neer te slaan in ruil voor individueel gewin. Redi Musu is ook tegenwoordig nog een scheldwoord voor verraders.

In de achttiende en negentiende eeuw groeide de groep voormalige slaven en hun nakomelingen. Via allerlei wegen konden sommigen hun vrijheid krijgen of kopen, maar de koloniale overheid dwong hen vervolgens wel om in de stad te blijven wonen. Ook deze ‘vrijlieden’ vonden hun plekje in Frimangron, waar veel van hen een moeilijk bestaan hadden in een economie die weinig vraag kende naar vrije loonarbeid. Er is ook nog een derde groep in Frimangron terecht gekomen. Asjkenazische Joden die door de Amsterdamse Parnassim als onnutte broodeters gezien werden kregen een enkele reis naar Suriname. Daar beklaagde men zich bij het gouvernement dat deze groep in arme wijken van de stad terecht kwam en zich dreigde te vermengen met niet-Europese groepen.

Frimangron werd in 1898 de geboortegrond van Anton de Kom. Met zijn boek, ‘Wij slaven van Suriname’, stelde De Kom zich in 1934 expliciet het doel om de verschillende bevolkingsgroepen in Suriname tegen het kolonialisme te verenigen. De scheiding tussen Creolen, Javanen en anderen was sterk, maar het opheffen van die verdeeldheid zou een kracht los maken die het kolonialisme zou kunnen verslaan, zo stelde hij. Met deze ideeën sloot de Kom goed aan bij de toenmalige Communistische Partij van Nederland, en vooral ook de Indonesische studenten die nadachten over dekolonisatie. Hij kwam met deze mensen in aanraking toen hij vanwege oproerige activiteiten naar Nederland werd verbannen. Na de Duitse inval kwam hij zo als vanzelf bij het linkse verzet terecht, wat hij in 1945 in een concentratiekamp met de dood moest bekopen. Na de Tweede Wereldoorlog ontdekten ook anderen zijn boek, en werd ‘Wij slaven’ een belangrijke inspirator voor het nationale verhaal van het onafhankelijke Suriname.

We steken een straat over en zien onmiskenbaar het geboortehuis van De Kom. Er staat een monument voor, en het straatnaambord is niet van hout zoals in de rest van de stad, maar van metaal. Het huis is vervallen. De verf is, op een klein randje onder de dakgoot na, helemaal verdwenen. De meeste luiken zijn dicht, en uit een raam wappert een vaal roze gordijn. De golfplaten zijn van een andere generatie dan in de rest van de stad, helemaal verroest, en ze liggen scheef. Maar we schrikken vooral van het monument. Dat het plichtmatige plantenbakje uitgedroogd is kan gebeuren, en dat iemand een etensbakje laat liggen is niet zo gek, maar dat er plompverloren een WC-pot in een kartonnen doos voor staat verraadt een diepe desinteresse uit de buurt. We kunnen het maar moeilijk plaatsen, dus gooi ik het etensbakje in de kartonnen doos en sleur ik de WC-pot een eindje weg. Ruth pakt een ‘wet wipe’ uit haar tas en begint de tekst op het monumentje schoon te vegen. Het doet pijn om dit monument voor De Kom als symbool voor dekolonisatie, gelijkheid en trots in deze staat te zien.

Na onze halfslachtige opruimactie lopen we verder, we zien twee onmiskenbaar verslaafde bewoners tussen de golfplaten naast het huis. De Kom is de laatste vijftig jaar door velen als symbool geclaimd en ingezet, en wie een mooi opgepoetst eerbetoon aan De Kom wil zien kan naar de universitaire campus gaan, vooral de Staatsolie Building van het Institute for Graduate Studies ligt er prachtig bij. De uitzichtloosheid van de hedendaagse bewoners van zijn huis is echter zo groot dat ze niet eens de moeite zullen nemen om hun schouders op te halen over Anton de Koms woorden op het monument:

Sranang
mijn vaderland
eenmaal hoop ik
u weer te zien
op de dag waarop
alle ellende
uit u
weggewist zal zijn!


Karwan Fatah-Black

Blog 38, 31 oktober 2012

De actualiteit van Arnold Kerdijk

Als ik op zaterdagochtend over de markt op de Amsterdamse Lindengracht loop, zie ik de panden met in hun gevel de namen van oude ambachten geschreven. Ambachtshuisjes heb ik ze gedoopt. Nu ken ik hun ontstaansgeschiedenis. Ik kwam het tegen in een mooie biografie die Wibo Schepel schreef over Arnold Kerdijk (1846-1905).

Kerdijk was in 1895 betrokken bij het experiment om zonder steun van de overheid de oude krotten in de Jordaan te vervangen door nieuwbouw om zo de woonomstandigheden van de arbeiders wezenlijk te verbeteren. Een mooi initiatief, dat helaas mislukte. De meeste arbeiders bleken niet in staat de huur van f 1,70 te voldoen. Dit leidde bij de sociaalvoelende Kerdijk tot het inzicht dat overheidssteun onontbeerlijk was in de strijd tegen de verpaupering van de arbeidersklasse. Dat idee kwam terug in de Woningwet uit 1901, waaraan Kerdijk meewerkte. De wet die zo grote invloed heeft gehad op de Nederlandse sociale woningbouw in de twintigste eeuw. Zo symboliseren de panden aan de Lindengracht niet alleen de aanzet tot een wezenlijke verandering in de woningbouw, maar ook een kentering in het klassieke liberale denken.

Als liberaal geloofde Kerdijk in het particulier initiatief; hij nam het ook en vaak. Hij behoorde tot de oprichters van de Rijkspostspaarbank en het Centraal Bureau van de Statistiek, was een voorman van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen en was een een pleitbezorger van de coöperaties in Nederland. Kerdijk verzorgde de financiële basis van de Haagse coöperatieve brood-, koek- en banketbakkerij De Toekomst om ontslagen stakers aan het werk te helpen. Zijn Jordaanse onderneming stond dus niet op zich. Al zijn initiatieven en activiteiten stonden in het teken van de bestrijding van de armoede en de verheffing van het gewone volk. Ook in de politiek waar hij betrokken was bij uiteenlopende sociale wetten. Want het particulier initiatief schoot tekort. Overheidsbemoeienis werd daarom een reële optie bij sommige liberalen. Deze liberalen, waaronder Kerdijk, verenigden zich in de Vrijzinnig Democratische Bond.

Kerdijk was een hervormingsgezinde liberaal die geloofde in de maakbare samenleving om te beginnen bij het gewone volk, die de zwaarste lasten droeg van de snelle industriële ontwikkeling. Met zijn opvattingen kwam hij, ondanks de principiële verschillen, dicht bij de sociaaldemocraten te staan. Hij werd daarmee een van de bruggenbouwers tussen de burgerij en de sociaaldemocratie en tussen de SDAP en het burgerlijk politiek bestel. Daar ligt zijn historische betekenis. Schepel ziet Kerdijks actuele betekenis terug in het hedendaagse integratievraagstuk. In de pogingen van Ahmed Marcouch in Slotervaart bijvoorbeeld om de minderheden te ‘verheffen’ door particulier initiatief, het nemen van eigen verantwoordelijkheid en sociale wetgeving, ziet de biograaf Kerdijk terug. Of men dit zo letterlijk kan stellen is de vraag. Ruimer gesteld, kan gezegd worden dat het vrijzinnig-democratisch gedachtegoed in de Nederlandse politiek springlevend is. Aan die actualiteit werkt Schepel hard. Hij richtte een ‘Stichting Kerdijk Actueel’ op en liet Job Cohen vorig jaar de eerste Kerdijklezing houden, die achter in het boek is opgenomen. We zullen er nog meer van horen.

Wibo Schepel, Arnold Kerdijk (1846-1905. Vooruitgeworpen licht, de visionaire blik van een paternalistische liberaal. Te bestellen bij de stichting Kerdijk.

Arno Bornebroek

Blog 37, 3 oktober 2012

Uit Folia, maart 1977

Eerherstel voor Daudt?

Nog nooit hebben zoveel mensen bij de laatste verkiezingen gezweefd of zijn op het laatste moment overgestapt. Zwevende kiezers of floating voters zijn een hot issue.

Zo’n heet hangijzer waren ze, de floating voters, ook op 21 april 1970 toen een aantal politicologie studenten en een kleiner (volgens Grietje Oldersma) of groter (volgens mijzelf) aantal sociologie studenten het gebouw van het Instituut voor Wetenschap der Politiek aan de Nieuwe Zijds Voorburgwal, naast het stadhuis, bezetten. Het ging daarbij om democratisering van de macht en om het aanbod van de docenten wat kritischer en inhoudelijker te maken. Eén van de docenten, die zich hard en onverzoenlijk opstelde en daardoor het conflict en de bezetting onvermijdelijk maakte, was Hans Daudt (zie zijn biografie). Na zijn brief met de opmerking dat hij geen uitwedstrijden meer speelde, heeft hij geen college meer gegeven.

Eerste pagina van proefschrift Harry (Hans) Daudt

Na de eerste paar dagen van de bezetting hebben de bezetters kasten opengemaakt en daar kwamen allerlei voorstellen voor proefschriften te voorschijn. De floating voters vlogen je om de oren. Dit naar de ogen kijken van de meester wiens Floating Voters and the floating vote (Daudt vertaalt ‘floaters’ met ‘wisselaars’, eigenlijk mooier dan ‘zwevers’) waarschijnlijk velen als inspiratiebron gebruikt hadden, was ons een gruwel. De kreet 'floating voters' of ‘floating anything’ was een tijdje populair onder de bezetters evenals het ‘zis bilding is occupaaid bij stoedents’ van de omroepers van de passerende rondvaartboten vol met naar links draaiende hoofden van de toeristen.

Nieuwe Zijds Voorburgwal in mei 1970

De bezetting ging natuurlijk over de 'inhoud' (het toverwoord van de kritische studenten rond 1970) van de studie en medezeggenschap en geheel daarmee in contrast stond volgens ons het proefschrift van Hans Daudt: geen politieke inhoud maar vooral een beschrijving van gedragingen van stemmers en hoe dat te vangen in een theorie. Nu ja theorie: het lijkt een beetje op de behavioristische omschrijvingen van het vanzelfsprekende, zoals het feit dat in de VS Negers, Ieren en Joden vooral Democraten stemmen. Ook het herlezen (voor het eerst lezen eigenlijk) na een halve eeuw (het proefschrift is van 1961)  levert toch niet veel meer op. Zelfs in het hoofdstuk Political Interest among Floating Voters schrijft Daudt niet over de verschillende inhoud van de politieke partijen (in Engeland en vooral de VS), maar over de karakteristieken van de stemmers. Zijn conclusie bij dit onderdeel is dat “the data at present available in the various studies do not indicate any distinct differences between floating voters and others.”

En in het slothoofdstuk trekt hij de conclusie dat kiezers wel degelijk een politiek oordeel geven over partijen en dat nader onderzoek naar de politieke realiteit gewenst is (p. 176). Die conclusie, die eigenlijk pas in de laatste alinea van het Engelse proefschrift en eveneens op de laatste pagina van de Nederlandse samenvatting te voorschijn komt als een deus ex machina, is te mooi om niet te citeren: “Hiertegenover wordt in het slothoofdstuk gesteld, dat er bij afwezigheid van genuanceerde kennis wel degelijk in het algemeen een globaal oordeel over politiek belangrijke zaken kan bestaan en dat dit een voldoende basis is voor de politieke keuze.” Van de kiezers zou ik willen toevoegen.

Die laatste zinnen hebben we gemist in 1970. Ook in het huidige geweld van de polls en van de zwevende kiezers blijft er aandacht voor de inhoud, ook bij Daudt dus.

Marten Buschman
[over de 'affaire-Daudt' een treffende analyse van H. Daalder alhier]

Blog 36, 14 september 2012

We stonden er rustig bij, alleen ik zwaai wat met een vuist

De affaire Buikhuisen na 34 jaar

Wie weet het nog? De plannen van criminoloog Buikhuisen, de bedenker van het woord Provo, zetten in 1978-1979 heel intellectueel en links Nederland op zijn achterste benen. Hij werd uitgemaakt voor Nazi en velen vonden dat hij zijn onderzoek naar de mogelijk erfelijke component van crimineel gedrag niet zou moeten mogen willen uitvoeren. Na alle commotie rond zijn oratie heeft hij enkele jaren onderzoek gedaan, maar in 1988 viel toch het doek. Buikhuisen ging de antiekhandel in. Een mooi en eerzaam beroep voor iemand die natuurlijk wel beschadigd was geraakt. Inmiddels is sprake van een soort eerherstel van de man en zijn ideeën.

Modern onderzoek laat zien dat crimineel gedrag ook te maken kan hebben met verstoorde verbindingen in iemands hersenen. Storingen die soms aangeboren zijn. Niet alle crimineel gedrag is verklaarbaar uit maatschappelijke omstandigheden. In iedere samenleving, hoe sociaal ook, zullen er waarschijnlijk wel mensen zijn die aanslagen plegen op de persoonlijke integriteit van mede-burgers. Natuurlijk is ook de vraag wat crimineel gedrag is van groot belang. Koppensnellers en ontduikers van het minimumloon denken ongetwijfeld anders over criminaliteit dan de meesten van ons. Maar toch, de wereld is niet zo simpel als wij, tegenstanders van Buikhuisen, ver terug in de twintigste eeuw, dachten.

Met het eerherstel van zijn ideeën, is ook de man zelf minder persona non grata. Hij publiceert weer af en toe en krijgt ook de gelegenheid zijn belevenissen aan het publiek te slijten. In Mare, het universiteitsblad van de voormalige Rijksuniversiteit Leiden, stond al weer een tijd geleden een interview met Buikhuisen. Daaruit de volgende zinsnede over de gebeurtenissen tijdens zijn oratie op 22 juni 1979: 'Een grote groep gemaskerde personen met grote kettingen in de hand stormde naar binnen. Een van hen gooide een rookbom. Mijn zoon zat op de eerste rij. Hij pakte het ding op en gooide het door het raam naar buiten. Een van die jongens stormde de katheder op. Ik bleef ijs- en ijskoud en vroeg: ‘Goh wie ben je?’ En tegen de zaal zei ik: ‘Dames en heren, we hebben thans bezoek van een groep die bezwaar heeft tegen mijn benadering. Ik wil ze graag het woord geven. Ik wendde me weer tot de jongen die naast me stond, vroeg zijn naam en gaf hem het woord, maar die zei natuurlijk niets.’

Studenten en werkende jongeren deelden met open vizier de tekst van ons praatje uit.

Nu wil ik geen flauwe grappen maken over het geheugen van oude mannen, maar volgens mij is het toch iets anders gegaan. Ik, onderhand ook een beetje oude man, denk dat omdat ik die jongen was die naast hem stond. We waren niet gemaskerd en hadden geen kettingen. Wat ik wel weet, is dat ik niet mijn mond hield. Ik hield namelijk een door de groep van tevoren zeer democratisch uitonderhandeld praatje, dat in zijn geheel op schrift stond.

Wat wel zo is, is dat ik terugkijkend op die actie, er in het geheel niet meer achter sta. Misschien hadden we inhoudelijk gelijk, dat je om crimineel bedrag te bestuderen eerst moet bepalen wat crimineel gedrag is. Maar daar gaat het niet om. Ik vind dat alle onderzoek dat mensen niet in hun persoonlijke integriteit aantast, mogelijk moet zijn. Wat wij wilden, druist zo in tegen de vrijheid van onderzoek dat daar niets goeds van kan komen. Dat zien we nu aan de regeringsplannen waardoor alleen nog maar onderzoek mogelijk wordt dat direct geldelijk gewin op kan leveren.

Nee, na zoveel jaar kan ik alleen maar zeggen: 'Sorry Buikhuisen, wat je deed was mogelijk onzinnig, maar dat recht had je'.

Sjaak van der Velden

Blog 35, 20 augustus 2012

Jan Romein, 1893 - 1962

Geschiedschrijving en politiek

Geschiedschrijving is een mooi vak. Je probeert ontwikkelingen uit het verre en dichtbije verleden in beeld te krijgen en er je lezers of toehoorders in te laten delen. Het vak valt al sinds mensenheugenis onder de humaniora, wat zoveel wil zeggen als dat het geen echte harde wetenschap is. In navolging van economen die op zeker moment de illusie hadden dat hun vak exact is, zijn steeds meer historici er toch toe over gegaan ons vak als een soort natuurwetenschap te benaderen. Als je het uit kunt rekenen, dan zal het wel waar zijn, nietwaar?

Hierdoor zijn veel moderne historische publicaties niet meer leesbaar voor de geďnteresseerde leek. Tabellen, modellen, regressie vergelijkingen, homals, alle rimram uit de psychologie en de econometrie heeft zijn weg naar de geschiedenis gevonden; kijk er mijn eigen proefschrift maar op na. Daarmee is een zekere abstrahering opgetreden en denken historici mee te kunnen blazen in het orkest van de exacte wetenschap.

Een groot verschil met de natuurkundigen, scheikundigen en anderen die de zo als dat vroeger zo mooi heette ‘stoffelijke natuur’ bestuderen, zien deze moderne historici volgens mij over het hoofd. Er zullen niet veel natuurwetenschappers zijn die meer sympathie hebben voor de ene of andere quark, die een keus maken voor het primaat van het elektron boven het neutron, of die de deze of gene chemische vergelijking prefereren. Bij historici is van een dergelijke voorkeur meestal wel sprake. Dat geldt trouwens ook voor de psychologen en economen die onze vakbroeders het rekenkundig instrumentarium hebben geleverd. Dat hun wetenschappen qua hardheid eveneens van beperkte waarde zijn, heeft de huidige crisis in ieder geval voor de economen bewezen. Ze hebben deze niet voorzien, niet voorspeld en snappen er maar in beperkte mate iets van. Hoezo harde wetenschap?
Het wetenschappelijke van de geschiedwetenschap zit hem uitsluitend in een set van harde afspraken die historici onder elkaar hebben gemaakt. Dat betreft dan zaken als bronnenkritiek, de juiste wijze van citeren, het niet-gebruiken van uitsluitend en overduidelijk selectieve bronnen. Verder doet iedereen maar lekker wat-ie wil.

Terwijl natuurkundigen nog wel eens een probleem definitief kunnen oplossen, blijft de geschiedwetenschap een discussie zonder eind. Over duizend jaar zal er nog steeds een discussie zijn over de vraag of de Russische revolutie vooruitgang betekende. Een belangrijke en misschien wel de belangrijkste oorzaak van die veranderde inzichten en voortdurende discussies zit hem in het feit dat de maatschappij om ons heen zelf voortdurend in beweging is. Het wetenschappelijk discours reageert op die beweging, maar draagt er ook aan bij. Van dat laatste is uiteraard een zeer pijnlijk voorbeeld de rol die de economen van de Chicago School hebben gespeeld in de opkomst van het neo-liberalisme.

Vanwege die maatschappelijke doordringing van de historische en trouwens alle maatschappij wetenschappen veranderen beelden en opvattingen. Wie zou het nu durven een boek te schrijven waarin slavernij als een natuurlijk en daarom acceptabel gegeven wordt opgevat? Maatschappelijke en politieke opvattingen doordesemen de hele geschiedwetenschap. Hoe dichterbij het onderwerp bij de eigen tijd of het eigen leven ligt, hoe duidelijker dit vaak is.

Eerste partijleider Daan Monjé 1925-1986

Zo schreef ik onlangs een klein boekje over de geschiedenis van de SP en de veranderingen in radicaliteit van de partij opvattingen nu een mogelijke regeringsdeelname steeds dichterbij lijkt te komen.

Nou dat heb ik geweten!
Uitgevers wilden het om diverse redenen niet uitgeven. Allemaal waardeerden ze mijn duidelijke schrijfstijl maar de een wilde meer persoonlijke roddels van Jan Marijnissen of een ander kopstuk terwijl een ander het niet aandurfde vanwege zijn banden met de SP. Beide vonden wel dat het verhaal verteld moet worden, maar nu even niet. Een hoogleraar die ik vroeg een voorwoord te schrijven, liet weten het inhoudelijk met mijn analyse eens te zijn maar het verhaal niet nu te willen steunen, zo vlak voor de verkiezingen. In arren moede bedacht ik toen, na vijf uitgevers te hebben versleten, om het maar aan de website aan te bieden van dit online tijdschrift waarvan ik zelf in de redactie zit. Daar vonden de meeste mederedacteuren om een aantal redenen dat er door plaatsing te veel een menging van geschiedschrijving en politiek zou optreden.

Maar ik moet het historische werk nog tegenkomen waar die vermenging niet aanwezig is, zij het dat over het onderwerp meestal niet op 12 september a.s. wordt gestemd.

Dus nu is mijn boekje Ontwaakt…! Hoe de SP zijn idealen overboord zet om in de regering te komen nog niet beschikbaar. Wie durft het aan? Wie zet het op zijn site?

Sjaak van der Velden

Blog 34, 12 augustus 2012

Tweemaal Geelwit

Bijna tegelijk met de Rooms-Katholieke database verscheen een boek met de titel het Geelwitte boekje, dat uitgebreid het Roomse Jargon uitlegt, veel uitgebreider dan Jos Leenders kon doen op de database-bijeenkomst. 

Een fraai beeld van een verloren tijd. Een tijd die ikzelf ook nog heb mogen meebeleven, al waren het de laatste uitingen van het Rijke Roomse Leven (1853- 1970). Enkele voorbeelden van zaken, die in die meer dan een eeuw volstrekt gewoon waren voor katholieken, maar nu enigszins anders aandoen. De Blasiuszegen was een ritueel met twee kaarsen, die de priester (ik dacht zelfs de bisschop) gekruist langs de keel hield en dan een formule uitsprak. En echt het helpt, ik heb nooit een ernstige keelziekte gehad, wel een kleine fobie voor het vast komen zitten van graten in de keel. Dus voor mij altijd voorzichtig vis eten op vrijdag. 

Katholieken zeiden tegen elkaar zalig nieuwjaar. Hoe dat dan moest tegen anders- en ongelovigen was een groot probleem. Moest je nu gelukkig tegen protestanten zeggen, waren ze dan wel of niet beledigd. Dit soort casuďstiek staat uiteraard niet in het boekje, maar maakt het lezen ervan nostalgisch interessant. Althans voor mij.

Een punt van kritiek is de doorverwijzing bij de lemmata. Die doorverwijzingen lijken wel perpetua mobilae. Zo komt bij de beschrijving van het trefwoord 'heilige' ook het woord 'zalige' voor met een doorverwijzing. Daar staat dan laconiek, zie 'heilige'. Dat is een voorbeeld van velen. Er staat niet alles in, zoals het woord 'pekelzonde', een soort niet ernstige zonde. Een klein boekje kan niet volledig zijn. Wat ik wel echt miste was een verwijzing naar het eerste Geelwitte boekje uit 1961!

Dat Geelwitte Boekje was een uitgave Katholieke bonden van technici, chemici en werkmeesters. De officiële titel is ONZE ZIENSWIJZE op de vernieuwing van de K.A.B. Het is een tegenhanger van het BlauwZwarte Boekje, een voorstel voor reorganisatie van de vakbeweging in Nederland. Dit eerste geelwitte boekje is niet alleen onbekend maar ook onbemind. Maar ook van belang vanwege de huidige discussie over de grondslagen van de FNV, CNV en de Nieuwe Vakbeweging. Wat is de basis van de vakorganisatie, beroep of bedrijfstak?

De schrijvers van dit magistrale geelwitte pamflet legden niet alleen de vinger op de zere plek van de organisatie van de Nederlandse vakbeweging. Maar zij hebben vele verwijten over zich heen gekregen, zoals dat zij 'onverbloemd het argument van het standsverschil' hanteerden, zoals Hans Righart in Katholieke Arbeidersbeweging. Studies over KAB en NKV (p. 119) uit 1985 schreef. niets is minder waar!

Een gevolg van de reorganisatie van KAB naar NKV was en is dat beambten, middenkader, technici en andere hoofdarbeiders in vakbonden terecht kwamen die - zeker volgens hen - overheerst werden door de blauwe-boorden-werkers. Het NVV heeft snel de reorganisatie doorgevoerd. Bonden zoals die van de machinisten en conducteurs bleven daardoor zelfstandig. Bij de KAB heeft het langer geduurd vanwege de complicatie van het katholicisme en de dominante rol van de clerus in het katholieke leven. Die clerus was zich op het einde van de jaren vijftig echter langzaam bewust geworden van de zeggenschap van de katholiek over zijn eigen leven buiten het geloof. Het leverde een vertraging in de reorganisatie van KAB tot NKV op, maar ook de vaststelling dat de beroepsbelangen van werknemers belangrijk zijn en niet ondergesneeuwd mogen worden. Het heeft uiteindelijk tot de oprichting van de beambtenbond Unie BLHP in 1972. 

De Unie ging niet mee met het NKV naar de FNV. Het is een les die de kwartiermakers van de Nieuwe Vakbeweging ter harte hebben genomen: beroep is een reden voor een vakorganisatie. Het blauwzwarte boekje is daarmee geschiedenis geworden en er is alle reden om het eerste Geelwitte boekje van een halve eeuw geleden te herwaarderen.

Marten Buschman

(met dank aan Geert Wagenaer)

Blog 33, 2 juli 2012

Domela was een antisemiet 

De beschuldiging dat Ferdinand Domela Nieuwenhuis een antisemiet was, stond voorafgaand aan de publicatie van zijn biografie, prominent in het Historisch Nieuwsblad. Ook bij de officiële presentatie van het boek van Jan Willem Stutje in het Amsterdamse Spui 25 was dit een belangrijk onderdeel van het debat, al werd hier de context verbreed naar de gehele socialistische beweging. In zijn boek Ferdinand Domela Nieuwenhuis. Een romantisch revolutionair, plaatst Stutje het antisemitisme in een breder maatschappelijk verband.

Stutje verwijst in dit verband naar een viertal boekjes Achter de schermen! Onthullingen uit onze 'deftige' kringen van mevrouw Barnekow geboren Tindal, die Stutje aanduidt als een reeks antisemitische brochures. Gek, maar zo kan ik mij deze boekjes niet bepaald herinneren. Toen ik pakweg vijftien jaar geleden deze geschriften las – en uit mijn aantekeningen van toen blijkt dat nog – zag ik het vooral als een boeiende zedenschets van de Amsterdamse grachtengordelelite aan het einde van de negentiende eeuw. Hoe de heren 'indelicatessen' pleegden met de dames. Hoe oud-adel - de Van Lenneps en Van Eeghens – geparenteerd raakten met de parvenu's Heineken en Bunge. Deze heren waren plat in de mond; zij namen de taal van de beurs mee naar de Herengracht. Nee, dan de deftigen: 'onze kringen zouden zich onderscheiden door de verachting der geraffineerde genoegens en het amusement des tijds. Met kennelijk plezier noteerde ik deze adellijke nonsens.

Natuurlijk begreep ik dat hier een afrekening plaatsvond. De geschriften lieten wat dat betreft niets aan duidelijkheid te wensen over. Bij een verdere zoektocht naar de achtergronden van deze geschriften stuitte ik op H.J. Scheffer Henry Tindal. Een ongewoon heer met ongewone besognes. Scheffer, die een kleine 15 pagina's aan deze geschriften wijdt, onthult als eerste dat de heer Von Barnekow de brochures geschreven heeft onder de naam van zijn vrouw. Hij bevestigt bovendien mijn opvatting dat het hier brochures betreft van grote cultuurhistorische betekenis. Zij gaan verder dan alleen Amsterdamse gebeurtenissen en roddel en achterklap. Maar echt antisemitisch zijn de brochures niet ... tot deel III.  Uit mijn aantekeningen blijkt dat ik daar met het lezen gestopt ben. 'Antisemitische vuilspuiterij' is het enige wat ik opgeschreven heb over dit deel dat handelde over de liberale joodse politicus en bankier A.C. Wertheim. Scheffer schrijft: 'inderdaad vuilschrijverij, maar interessant'. Hij legt dan het verband tussen de vele Amsterdamse joden die meededen aan de Oranjefurie van 1887 waarbij onder ander het café van de socialistische voorman P.J. Penning – De Leeuw van Waterloo – kort en klein geslagen werd. Het antisemitisme van de socialistische beweging had de joden uitgesloten en nu sloegen zij terug. Bij Scheffer volgt de suggestie dat de antisemitische aanval op Wertheim in deel III van Achter de schermen! mede geďnspireerd was door de verhalen die Von Barnekow over de Oranjefurie gehoord had.

De cirkel lijkt daarmee rond en ontstaat het gevoel dat er van een incident sprake is. 'Volgens veel commentatoren was het eerder speels en folkloristisch dan haatzaaiend,' schrijft Stutje over het antisemitisme in die jaren, om daarna op overtuigende wijze met die stelling (die ik dus ook aanhing) de vloer aan te vegen. Het antisemitisme kon niet opgehangen worden aan één persoon of een enkel incident. Het zat veel dieper en was structurele van aard. Het boekje De Jood. Een waarschuwend woord aan den Christen van Abraham Kuyper beleefde elf drukken. De katholieken gaven het tijdschrift De Talmudjood. Een Antisemitische weekblad uit. Bij de socialisten was het antisemitisme een vanzelfsprekend instrument om het liberalisme en kapitalisme te bestrijden. Van rechts tot links was antisemitisme aanwezig. Ook bij Domela, die Von Barnekow de vrije hand gaf in Recht voor Allen en zijn boekenkast liet ontsieren met een reeks van antisemitische publicaties en die gebruik maakte van stereotype joodbeelden. 

Domela was een antisemiet.

Arno Bornebroek
Rectificatie: Het boekje De Jood is niet geschreven door Kuyper. Met dank aan Jan Dirk Snel

Blog 32, 8 juni 2012

Lidmaatschapkaart Broederschap van Onze Lieve Vrouwe van Gedurigen Bijstand, jaren 1880

Roomse organisaties van leken

Eind mei is de database van Rooms-katholieke broederschappen in de negentiende eeuw gepresenteerd en gelanceerd. Dat laatste gebeurde door Maarten Elsenburg, de vice-voorzitter van het gezelschap De Stille Omgang, die jaarlijks een zwijgende processie regisseert in de Amsterdamse binnenstad om Het Mirakel van Amsterdam te herdenken.

Het was een gedenkwaardige bijeenkomst. Niet alleen vanwege de inleidingen, maar vooral omdat er ongeveer zeven duizend organisaties (4400 gevonden, maar via extrapolatie dat hoge aantal) zijn geweest in Nederland.

Maar dat is niet het enige. Veel van deze broederschappen zijn opgericht door gewone Katholieken, leken in de RK-termonologie. En daarna goedgekeurd door de clerus: een nihil obstat. Dat is een beeld, dat haaks staat op dat van sociaal-historici uit de jaren zeventig, inmiddels ook al bijgesteld. Het beeld dat via deze database van de negentiende eeuw oprijst is meer dan een bijstelling. Gewone katholieken hebben een belangrijke zo niet de belangrijkste bijdrage geleverd aan de rekatholisering van Nederland.  

Het zijn verenigingen met prachtige namen, zoals de 'Aartsbroederschap tot Lafenis der Gelovige Zielen in het Vagevuur' en de 'Broederschap van de Levende Rozenkrans'. Wat dat allemaal betekent of welke activiteiten hebben deze verenigingen verricht? Dan moet je eigenlijk eerst weten wat het vagevuur - en aanverwante termen als het voorgeborchte - is. Daarin voorzag Jos Leenders in zijn inleiding over de Rooms-Katholicisme in de negentiende eeuw aan de hand van de belevenissen van zijn heeroom, die in het protestantse Noorwegen herder was van een Roomse gemeenschap. En die in de jaren zestig toch wel toegaf dat nog-niet-gedoopte overleden babies in de hemel toegelaten werden in plaats van in het voorgeborchte. Een ketterse gedachte nog maar enkele jaren daarvoor. Overigens is de katholieke indeling van het hiernamaals nog ingewikkelder dan die van Dante. 

Mooi was ook Leenders' verdediging van de zeven sacramenten tegenover de schamele twee van de protestantse gemeenschappen. Vooral het sacrament van de biecht (en de gesloten biechtstoel) moest het daar ontgelden. Het gaf de roomsen een kwade reuk (wierook!) bij de protestantse gelovigen. Immers je kreeg altijd absolutie (vergeving) wat je ook gedaan had. Een vrijbrief voor slechte daden! Dat de protestantse kerken er maar twee overhielden had te maken dat zij de christelijke traditie verwierpen als het niet op de bijbel gestoeld was. Leenders liet zien dat het Rooms-Katholicisme een zeer rijke traditie had en een zingeving bezat voor alle leden door middel van allerlei rituelen en verenigingen. Vaak alleen te begrijpen voor ingewijden. Is dat niet de definitie van elk geloof, onbegrijpelijk voor de buitenstaander? 

Het Rijke Roomse Leven was weer eventjes terug. Een feest van herkenning voor mij als ex-katholiek. Want al die hocus-pocus uit mijn jeugd geeft een diepere betekenis aan het dagelijkse leven. Immers we zijn 'hiertoe op aarde om hier en in hiernamaals gelukkig te worden', zoals in de Katechismus zo fraai beschreven werd. Als ingewijde merkt u meteen dat ik van de 'hier en hiernamaals'-generatie ben. Daarvoor kon je alleen maar gelukkig zijn in de hemel, meestal via het vagevuur! 

Maar goed. De vraag welke bijdrage (en hoe groot) die leken hebben geleverd is niet direct met de database te beantwoorden. Daarvoor zal je toch weer de archieven in dienen te duiken voor bijvoorbeeld de ledenlijsten en de kranten voor de (omvang en invloed van de) activiteiten. Een aanwinst is deze database zeker. En als ook op andere gebieden zulke bestanden aangelegd worden, dan kunnen we de bovenvermelde vraag beantwoorden. Nu is het woord bijvoorbeeld aan de bezorgers van de database van vakverenigingen - inclusief de katholieke - die al enige jaren op publicatie wacht! 

Marten Buschman

Blog 31, 30 mei 2012

Opheffing vakcentrale niets nieuws

De vakbeweging verkeert in zwaar weer. Hoewel bijna twee miljoen mensen lid zijn van een of andere vakbond wil de politiek niet meer naar de bonden luisteren, zo lijkt het sinds het Kunduz-akkoord.

Werkgevers zijn tweeslachtig; aan de ene kant juichen ze een sterke vakbeweging toe als onderhandelingspartner, maar aan de andere kant zullen ze het niet laten als ze de bonden beentje kunnen lichten, dat zit zogezegd in hun DNA. De bonden zelf zijn hopeloos verdeeld.

Binnen de vakbeweging strijden diverse krachten om hun plaats. Zo zijn er nog steeds de gristenen met hun eigen clubs (CNV, RMU), bestaan er buiten de vakcentrales een zwik categorale bonden en is er onderscheid tussen witte en blauwe boorden. Daarnaast wordt binnen de veruit grootste organisatie een conflict uitgevochten tussen de aanhangers van het overlegmodel en de voorstanders van een strijdende vakbeweging.

Hoewel volgens onderzoekster Agnes Akkerman de werknemers het beste af zijn met een verdeelde vakbeweging omdat bonden dan om leden te winnen hogere eisen aan de werkgevers stellen, voelt die onderlinge strijd toch niet goed. Het idee van de oorspronkelijke negentiende eeuwse oprichters van vakbonden was immers dat ze namens alle arbeiders een gezamenlijke vuist tegen de patroons moesten maken. En nu, ruim anderhalve eeuw later gaat men rollebollend over straat. Dat kan nooit de bedoeling zijn.

Er gaan zelfs stemmen op dat de vakbeweging niet meer van deze tijd zou zijn, ouderwets en achterhaald. Die gedachte hoor je trouwens vooral binnen kringen van de traditionele tegenstanders van een sterke vakbeweging, de VVD’ers en Wildersens. Maar ook binnen wat vroeger links heette te zijn, D66 en GroenLinks, tettert men aardig mee op deze trompet. Als we de spreekbuis van progressief-liberaal Nederland mogen geloven, dan is er ook nog eens een machtsstrijd binnen de FNV gaande tussen de PvdA en de SP. Deze kort-door-de-bocht analyse is al diverse malen verschenen in de kolommen van de NRC.
Als dit het geval zou zijn, dan moeten we ons daar inderdaad ernstig zorgen over maken. Openlijke en heimelijke interventie van een politieke partij binnen de vakbeweging brengt namelijk alleen maar onheil voor die bond.

Een aardige illustratie hiervan kunnen we in bijgaand document lezen. De interventies van de communistische partij kostten de EVC (Eenheidsvakcentrale) die ooit begon als een strijdbaar alternatief voor de behoudende, deels met de bezetter collaborerende en door de PvdA gedomineerde vakcentrale NVV de kop. Maar er staat ook iets niet in de documenten. In de korte geschiedenis wordt niet vermeld dat overheid en werkgevers niet met de EVC wilden overleggen. Dat was misschien nog wel een belangrijker reden voor de neergang van de organisatie dan het wroeten van de CPN.

Als we die twee factoren in gedachte houden dan komt daar vanzelf een les voor de huidige vakbeweging uit naar voren: laat je niet gijzelen door een politieke partij en zorg ervoor dat de natuurlijke tegenstander je serieus neemt. Dat eerste is moeilijk, maar dat tweede zo mogelijk nog moeilijker. Politieke partijen proberen naar hun aard de hele maatschappij van hun gedachten te doordesemen, maar de vakbeweging wordt door Bazen en Staat pas serieus genomen als ze machtig is. Alleen is die macht aan grenzen gebonden. Ga je als verantwoordelijke vakbeweging te veel mee met de tegenstander dan is die blij met je, waarop je leden echter weg lopen en de tegenstander je vervolgens niet meer serieus hoeft te nemen. Een radicale, strijdende vakbeweging daarentegen is niet erg populair bij de tegenstander die vervolgens misschien wel niet meer wil overleggen omdat er altijd wel een gele bond klaar staat die plaats in te nemen. Als je dan geen cao’s meer kan afsluiten lopen de leden misschien ook wel weg, want radicalisme is leuk maar de meeste mensen willen gewoon de huur of hypotheek kunnen betalen. Vandaar dat radicale organisaties zoals de EVC of het OVB telkens weer grotendeels of geheel van het toneel verdwijnen.

De nieuwe vakbeweging die nu misschien geformeerd zal worden, moet dit dilemma ook oplossen. Agnes Jongerius met haar ultieme polderoverleg is het niet gelukt, maar zal het een strijdende vakbeweging wel lukken?

Ik ben blij dat ik niet in hun schoenen sta.

Sjaak van der Velden
(document uit collectie Marten Buschman)

Blog 30, 11 mei 2012

Ada Prins (Museum Boerhave)

Ada en Herman: Aan wie de toekomst?  

Op 10 juli 1908 zaten  twee kanten van nieuwe ontwikkelingen, democratie en technologie, verpersoonlijkt in de geliefden Ada Prins en Herman Gorter op dezelfde plaats te luisteren naar professorale uiteenzettingen over mengkristallen, het onderwerp van het proefschrift van Ada.
 
Mengkristallen?

Onderzoek naar het mengen van vloeibare kristallen was één van de onderwerpen, waar Nederland in de natuurwetenschappen in voorliep. In het algemeen lag Nederland met de natuur- en scheikunde met coryfeeën en Nobelprijswinnaars als Van der Waals, Zeeman, Van ’t Hof, Lorentz en Kamerlingh Onnes ver voor op de rest van de wereld. Kamerlingh Onnes had op dezelfde dag als de promotie van Ada, maar dan in Leiden, als eerste in de wereld Helium onder grote druk vloeibaar gemaakt.

Voorpagina 'Beknopte leidraad' van Ada Prins.

Ada Prins was vanaf 1900 Gorters geliefde en muze, nadat zij als 21-jarige les van Gorter in klassieke talen om een universitaire studie te kunnen volgen. Zij deed staatsexamen, studeerde scheikunde en promoveerde op het proefschrift over Vloeiende mengkristallen bij binaire stelsels. Dat alles in Amsterdam. Zij had een kamer op de Herengracht. Gorter was daar vaak na zijn politieke inspanningen

Rond 1900 verwachtte Gorter en velen met hem in Nederland meer vrijheid, meer democratie. Maar op welke manier zou dat gedaan worden? Zouden het de democratische machten zijn, die dat zouden bewerkstelligen of zou de nieuwe technologie de vooruitgang brengen. Zoals nu twintig jaar geleden de komst van het internet, was toen de introductie van de telefoon een moment van euforie: nu kan iedereen alles te weten komen.

Ada Prins promoveerde in gezelschap van haar geliefde Herman Gorter tot doctor in de scheikunde. En Herman Gorter was wel het zinnebeeld van het socialistische en later communistische vertrouwen in de democratische toekomst. Op dat moment streed hij voor het socialisme en was zijn partij, de SDAP, verscheurd welke weg gevolgd moest worden naar dat socialisme.

Pagina uit de 'Beknopte leidraad'

Herman luisterde naar de promotiediscussies met weinig begrip voor al die formules, die hem vreemd waren. Althans dat is de mening van neerlandicus Garmt Stuiveling. Ik denk echter niet dat de socialist Gorter dit soort ‘vakgeleerde discussies’ (Stuiveling) niet begreep, maar eerder dat zijn alfa-opleiding hem in de weg zat.

Immers het onderzoek naar vloeibare kristallen is rond 1900 opgezet door de fysici Hendrik Bakhuis Roozeboom en Ernst Smits om aan te tonen hoe ook deze kristallen in hun leer van de mengkristallen pasten. Vele proefschriften volgden, waarvan die van Ada er één was. Deze aanpak van praktische toetsing en theorie is typerend voor de Hollandse school in de natuurwetenschappen.

Voor Gorter leek het wereldvreemd: het werkelijke leven was de strijd voor een menswaardig bestaan, zoals geschetst in de gelijktijdig (1908) verschenen tweede druk van Een klein Heldendicht. De vraag is of Ada en Herman het gehad hebben over de toekomstige invloed van vloeiende mengkristallen (liquid crystals) of socialisme. In hun correspondentie - of eigenlijk de brieven van Herman aan Ada (Herman heeft niets bewaard) - is niets over de toekomst van mengkristallen terug te vinden.

Ik ben wel benieuwd of de brieven van Ada aan Herman nog eens opduiken, want wij kennen de uitkomst: LCD is overal.

Marten Buschman

Blog 29, 19 april 2012

Jacques in 1968

In Memoriam Jacques Giele (1942-2012)

Goh, meneer, u heeft vroeger wel veel gedaan!


Een meisje van de Amsterdamse Sociale Dienst. Zij was verbaasd over de vele publicaties en andere activiteiten van Jacques. Jacques vertelde dit ongeveer tien jaar geleden op een van onze jaarlijkse afspraken.. Met een glimlach. Ook hij moest opdraven bij een van die acties van de sociale diensten in Nederland.

Nou ik was niet verbaasd en ook niet de velen die hem gekend hebben. Toen ik hem voor het eerst ontmoette bij de eerste  - voor mij wat onwennige – bijeenkomst van de werkgroep Geschiedenis van het NAS, die hij samen met Johan Frieswijk leidde, was hij al een bekend persoon. Dat was in 1974.

Jacques met Joyce Outshoorn rond 1977

Het was eigenlijk mijn eerste kennismaking met de geschiedenis van de arbeidersbeweging en zijn beoefenaars. Voor een sociologiestudent was dat Documentatiecentrum Nieuwste Geschiedenis een vreemde gewaarwording. Al die politicologiestudenten en docenten en een verdwaalde geschiedenis en sociologiestudent. En vooral die politicologiestudenten waren al politiek aan het spelen. En dan de anarchist Jacques.

Binnen de kortste keren heb ik zo’n beetje alles gelezen wat er geschreven was over de geschiedenis van de arbeidersbeweging. Eerst als gewoon lid van de werkgroep, later als stagiair voor een half jaar.

In dat half jaar heb ik het verschijnsel Giele goed kunnen waarnemen. Enthousiast, veel mensen over de vloer en chaotische taferelen op zijn bureau. Een studente was een scriptie kwijt, ze had maar één exemplaar en die had ze ter beoordeling aan Jacques gegeven. En die wist van niets. Na een maand of twee kwam die scriptie ineens boven drijven. Iedereen blij en Jacques heeft twee dagen vrijgemaakt om alles netjes op te ruimen, hij was tenslotte in die tijd secretaris van de Instituutsraad van het DNG.

Jacques met Ger Harmsen rond 1977

En ik heb bijvoorbeeld dat mooie artikel van hem in het eerste Jaarboek tot stand zien komen. De eerste versie was niet goed genoeg – volgens hemzelf vooral – en er was wat kritiek van de SUN-jongens gekomen. De oude versie (geen zin is veranderd!) werd verplakt met tussen door nieuw getikte passages. Die passages betroffen vooral de wat opiniërende gedeeltes en wat theoretische achtergronden. Dit stuk kwam terecht als het belangrijkste artikel in het eerste Jaarboek.

Maar niet alleen het verschijnsel Giele, maar ook en achteraf gezien wel vooral Jacques zelf. Zijn ex-zwager Zwier schetste het best toen ik bij een etentje in de Italiaan op het Singel even aarzelde toen hij aan mij vroeg welk bijvak ik deed bij Jacques, en hij zelf maar het antwoord gaf: ah een bijvak Giele dus.
Zijn 'vrolijke gekte' (Jan Rogier vertrouwde mij eens toe dat ook mede-Brabander Anton van Duinkerken dezelfde vrolijke eigenaardigheden had), was een onderdeel van zijn persoon. Op een door de weekse middag twee steekmutsen vouwen en dan samen paraderen op het DNG. Ik zou het nooit bedacht hebben laat staan gedaan hebben, maar met hem kon alles.

Mijn beste herinneringen zijn toch eigenlijk zijn onderzoeksmethode en zijn kritische zin. Dat gold vooral als ik commentaar gaf op een van de stukken die ik gelezen had. Ook zijn bijdrage en analyses aan de werkgroep NAS mochten er zijn. Het heeft mij er toe aangezet een carričre switch te maken naar meer geschiedenis dan sociologie. Zijn kritische zin naar het materiaal toe was ook naar mensen gericht. Hij was daardoor moeilijk in de omgang, want de objectiviteit en helderheid gingen voor.

In 1981 was er zijn laatste boek, daarna schreef hij voor De Tand des Tijds fraaie stukken. Bijvoorbeeld over een emigratie van Nederlanders naar Zuid-Amerika met de titel ‘stam wilde Zeeuwen in Brazilië’ (een grap van mij die hij in eerste instantie niet zo waardeerde).

Jacques in 2010

Ook voor hem was er een carričreswitch: geen wetenschappelijke stukken, maar verhalen, romans eigenlijk. Over zijn familie of verhalen over sociale gebeurtenissen in Nederland (de laatste ophanging te Gorkum) of liefst beiden. En een groot epos over Europa vanaf 1600 BC. Van deze romans heb ik enkele hoofdstukken gelezen. Na lang aandringen, dat wel. Prachtig en ik hoop dat hij de stukken niet heeft weggegooid zoals hij me later vertelde. Dat later was de afgelopen tien jaar in de tijd dat we één ŕ twee keer per jaar zo maar bij elkaar kwamen: twee uur en dan weer verder. Het was overigens niet eenvoudig om met hem in contact te komen: geen telefoon, geen internet alleen het versturen van briefkaarten werkte. Ook die keer dat we, Marie Christine van der Sman en ik, hem in 1994 gevraagd hebben om een bijdrage te leveren voor de tentoonstelling Rode Residentie in Den Haag was het niet gemakkelijk bij elkaar te komen. Een bijdrage heeft dat samenzijn niet opgeleverd, wel zijn aanwezigheid bij de opening.
Nieuwe technieken vond hij maar niets. Hij tikte nog alles uit op de typemachine. Dat ging nog net, want zelfs nietmachines wist hij in korte tijd om te zetten in oud ijzer.

De laatste jaren spraken we af in cafés. Mooie verhalen over hoe hij zijn baan bij het DNG alsnog kreeg na een mislukt sollicitatiegesprek. Na een maand belde Frits de Jong hem en zei gefeliciteerd met uw nieuwe baan. Welke baan vroeg hij aan de verbouwereerde Frits de Jong.
Maar ook altijd terugkerend Hans Dijkstal, de enige aardige VVD-er volgens ons beiden. Ik speelde samen met Dijkstal in een Haags softbalteam. Met sportbeoefening had Jacques niets. Hij haalde nog geregeld honkbal en cricket door elkaar.

Het is jammer dat hij weinig meer ophad met het zelf schrijven van artikelen over de arbeidersbeweging in de negentiende eeuw. Wel las hij alles. Ook kon ik mijn vragen kwijt over hoe ik iets zou kunnen aanpakken. Nieuwe geschiedschrijvers, zoals Dennis Bos met zijn – in de woorden van Jacques - magistrale Volksvrienden, las hij met genoegen. Er was bij Jacques geen enkele rancune of jaloezie. Hij was alleen maar blij dat er zo’n boek geschreven was. De enige keer dat Dennis en Jacques elkaar ontmoetten heb ik hem vrij lang blij zien zijn.

En zo zal ik me Jacques herinneren.
 
Marten Buschman (met dank aan Marianne Elsakkers en Johan Frieswijk voor de foto's)

Blog 28, 30 maart 2012

Zonder organisatiecultuur geen nieuwe vakbeweging

De laatste tijd denk ik vaak aan Fons Trompenaars als ik weer iets nieuws hoor van de Nieuwe Vakbeweging. Hij heeft niets met de vakbeweging te maken.

Maar toch. Samenhang tussen formele organisatie en hoe die werkt in verschillende settingen is het onderwerp van Trompenaars. Hij is een succesvol entrepreneur over de multinationale culturele samenwerking. Hij heeft boeken geschreven over hoe culturen samen kunnen werken en welke verschillen er zijn in de wereld. Nederlanders zijn wat dat betreft altijd veel te direct en Engelsen veel te indirect. Hoeveel inleiders op Europese conferenties krijgen niet te horen dat hun bijdrage 'interesting' is of zelfs 'very interesting. Rubbish dus. Bespreek je problemen tijdens de officiële meeting of tijdens de lunch met wijn? Nederlanders en Duitsers zijn voor het eerste, Fransen voor het tweede: tijdens de lunch kan je wat makkelijker persoonlijke zaken bespreken en verliest niemand.

Een van de vele voorbeelden van Fons Trompenaars is de multinational Shell en de implementatie in de wereld. Overal dezelfde organisatiestructuur. Maar het werkte niet overal hetzelfde. In Indonesië ging alles via een ondergeschikte en niet via de leidinggevende van deze man. Dat afdelingshoofd was een academisch gevormde jonge vrouw en de oudere man in kwestie haar schoonvader. De landscultuur was belangrijker dan de organisatiestructuur.

In de geschiedenis van de vakbeweging kennen we tot 1900 een samengaan van twee culturen, van werklieden en van de land-, haven- en veenarbeiders. De eerste brachten formele organisatie en de laatste de actiebereidheid met een informele organisatie. Het heeft geleid tot radicalisering van de werklieden en tot een formele organisatie, de oprichting van het NAS in 1893. Dit samengaan was van korte duur, in 1906 is het NVV opgericht en dan is het voornamelijk de formele centralistische organisatie, waarin leden opereren. Het NAS als een versmelting van beide subculturen kan je als een mislukt experiment beschouwen. Het NVV-centralisme is de norm voor latere organisaties als NKV, CNV en FNV. De informele organisatiecultuur blijft lang bestaan als syndicale onderstroom, die het radicalisme binnen houdt, maar die af en toe eigen organisaties vormt zoals het EVC.

Organisaties, zoals de FNV en CNV, worden niet alleen door de structuur bijeengehouden maar ook en vooral doordat alle leden en bestuurders hun plaats kennen en volgens de regels van deze organisatiestructuur en -cultuur werken. Organisatiecultuur is vaak de lijm voor de samenhang. Hoe zoiets werkt kan je in deze presentatie Back to basics van de KNVB zien. Als die samenhang er niet is dan werkt de organisatie ook niet goed meer. En dat zien we als de informele organisatie van de land- en havenarbeiders én de ideologie van de christelijke en moderne organisaties verdwijnen. En dat zien we nu bij de problemen, die de FNV bijna hebben opgeblazen.

In de discussie over de Nieuwe Vakbeweging, die vooral op Facebook gevoerd wordt, zien we dat het vooral gaat om de macht en de structuur en niet om de samenhang en strijdbaarheid. Typerend is dat de bondsraden van de drie FNV-bonden een standpunt innamen over wie de macht krijgt. Aandacht voor organisatiecultuur van en samenhang met buitenstanders is er niet. 

Misschien toch goed om kennis van de basics te hebben om de beperkingen van de klassieke vakbondsstructuur te zien. Als het old boys netwerk van de KNVB het kan, dan kunnen die vakbondsbobo's toch niet achterblijven?

Marten Buschman


Blog 27, 13 maart 2012

This machine kills fascists!

Eind februari bezocht ik een mooie bijeenkomst over het Rode Lied, georganiseerd door de Wiardi Beckman Stichting. Vier inleidingen en tussendoor gezang. En bij dat laatste had ik toch zo mijn bedenkingen. Gelukkig viel dat zeer mee, sterker nog prachtig gezongen en fraaie liederen. Een zangeres, Liesbeth Oosterhuis, die meer op Cobi Schreijer en Jaap van der Merwe leek dan op al die sociaal-democratische koren met hun liederen.

Mijn vraag is waarom zijn die rode liederen, die ik ken vanaf de jaren zestig met net niet goed zingende koren, nu zo intens burgerlijk, zoals ik me een keer liet ontvallen. Of om het neutraler te zeggen, waarom heeft de protestsong het gewonnen van het Rode Lied. Dat burgerlijk is nogal een beladen en zeker een jaren zestig term. Burgerlijk voor jonge studenten als ik een middel om verschil te maken in de wereld. Doe niet zo burgerlijk was een behoorlijke belediging.

Ik denk dat het met de orkestratie te maken heeft. Over de vorm, inhoud en voorkomen is veel bekend. Gedichten in rijmvorm met een hekeling van de slechte omstandigheden en verheerlijking van de toekomst gezongen door een koor. Er zijn vele artikelen en boeken aan gewijd. Maar hoe werden deze ‘rode revolutionaire’ voorgedragen. Je leest er weinig over in de boeken van Van der Merwe en laatstelijk nog in de Nieuwsbrief van juni 2011 van de Vakbonds Historische Vereniging.

Het kanailjelied is een mooi voorbeeld. Een prachtig lied uit 1869, tekst van Rik/Jan van Offel (geboren in Antwerpen 1844 en daar overleden in 1900) en muziek van Jan van den Acker. Het lied is in de negentiende eeuw voorgedragen, men zong het a capella op de bijeenkomsten, zoals politiespionnen optekenden. Dat het kanailjelied een mars is vertelt Van der Merwe niet. De meeste liederen, ook die tientallen van P.C. de Ruyter, een held en jong gestorven, zijn gezet op wijze van een mars. Een praktijk die de bron van de orkestratie van het oproerige volkslied doet onthullen: het harmonieorkest.

In eerste instantie zijn de liederen gezongen door een ongeregeld zooitje tijdens demonstraties of in Amsterdam in Het Volkspark. Later begeleid door wat we nu een brassband of dweilorkest noemen. In de latere (SDAP)periode is dat verzelfstandigd tot een heus orkest met repetities en onder leiding van een dirigent. En ook helaas niet meer van die gelegenheidsliederen, zoals het prachtige Gorillalied (ja, ja Koning Willem III) en al die polderliedjes. Dat niet alleen de 'modernen' deze muziekcultuur eigen gemaakt hebben, maar ook de revolutionairen blijkt uit het feit dat in 1923 het Plaatselijk Arbeidssecretariaat Vlissingen - vanwege teruglopend ledental weten we uit andere bronnen - hun muziekhandel (21 instrumenten!) de deur uitdeden en het spul verkochten voor 300 gulden aan de personeelsvereniging van de TU te Delft. Die laatste bestaat nog steeds.

In de jaren zestig overvleugelde de Amerikaanse volksmuziek met Pete Seeger, Bob Dylan, maar ook Woody Guthrie, de 'rode liederen'. Die Guthrie trok als een troubadour langs de velden, de fabrieken en werkplaatsen en de bijeenkomsten. De bron van de folk-revival lag in de muziek van de Europese immigranten, verzameld door vader en zoon John en Alan Lomax: een enorme databank aan opgenomen en uitgegeven liedjes. En dat ook nog eens op de plaat gezet. Die liedjes bestonden nog tot in de jaren dertig in de Appalachen en elders. De Amerikanen gebruikten die oude verzamelingen en dus die oude liedjes met veranderde, nieuwe teksten of nieuwe arrangementen. De bron van bijvoorbeeld House of the Rising Sun ligt in New Orleans, maar de laatste versie van de Animals is nauwelijks vergelijkbaar met het origineel van Clarence Ashley. Het hergebruiken in de volksmuziek heeft veel moois opgeleverd.

Het Nederlandse 'rode lied' heeft voornamelijk een andere instrumentatie dan viool, gitaar en banjo gebruikt, is gecanoniseerd en aangepast aan de burgerlijke concertuitvoeringspraktijk. Het gebruik van volksliedjes, die nog volop aanwezig waren, lag niet in de rede. Dat is jammer, een singer-song writer met eeuwenoude (luister bijvoorbeeld naar Scarborough Fair in de moderne uitvoering van Simon and Garfunkel) liederen als Woody Guthrie, van wie we op 14 juli zijn honderdste geboortedag vieren, ligt veel beter in het gehoor en in de markt dan een anoniem koor met eentonige marsmuziek.

En er waren nog veel Nederlandse liedjes, die gebruikt hadden kunnen worden door Boudewijn de Groot. De boeken van Jaap van der Merwe en van Tjaard de Haans' Straatmadelieven (eerste druk 1957) laten prachtige en vooral véél liederen zien. De volksliedjes bleven populair. En af en toe dook iemand uit deze sferen op in de popwereld, zoals Ivan Heylen.

De verwording van het 'rode lied' is m.i. vooral een gevolg van de instrumentkeuze! Dat deze conclusie niet het gehele verhaal is is duidelijk: ik kan maar niet een SDAP-musicus voor ogen krijgen met op het instrument de kreet van Woody.

Marten Buschman

Blog 26, 9 februari 2012

De bende van ‘49

De schoonmakers in Nederland zijn al weer een tijd bezig met het voeren van actie. Sinds 2005 laten ze om de zoveel tijd van zich spreken door te staken en ook op andere manieren hun ongenoegen te uiten. Ongenoegen niet alleen over de lage betaling (in 2005 streden ze voor een loon van een tientje per uur), maar ook over de lage waardering die ze krijgen.

In 2010 was er een grote staking die negen weken duurde, een zeer lange staking voor Nederlandse begrippen. Tijdens die staking verscheen er in De Volkskrant een interview met hoogleraar Susan Legęne die in 1981 onderzoek had gedaan naar een staking van Amsterdamse schoonmaaksters. Deze Mokumse dames legden toen het werk neer voor meer loon maar ook voor meer respect. Een eis die de stakers van 2010 en 2012 ook steeds naar voren brengen. Een van de staaksters van 1949 verwoordde het tegenover de Amsterdamse burgemeester heel mooi: “Dacht u dat ik hier nog zat voor een dubbeltje? Ik zit hier om een principiële kwestie. Ik wens geen nul te zijn in het leven en daarmee aangeduid te zijn. Onze telling begint bij één, de nul komt na de negen.”

Het cijfergegoochel had te maken met het feit dat vrouwen niet meededen in het landelijk puntensysteem voor loonvorming. Van vrouwen werd het loon beschouwd als niet meer dan een aanvulling op dat van hun man, de kostwinner. Ze zaten niet in een van de loonklassen, maar vormden de zogenaamde nulgroep. Ja, en wie wil er nou een nul zijn. Niemand, en schoonmakers ook niet.

Toen een collega bij mijn toenmalige baas, de SP, voorstelde om een boekje te schrijven over de staking van de schoonmakers uit 2010, kregen we hier toestemming voor. Opname van het verslag over een staking uit een ver verleden lag voor de hand en dat hebben we toen (geautoriseerd door dezelfde Legęne) gedaan. Dat betekende in de boekenkast duiken om daar een van de Cahiers over de geschiedenis van de Communistische Partij van Nederland op te snorren want daarin stond haar oorspronkelijke artikel. Een gedegen stukje geschiedschrijving zoals er in die dagen (het was 1981) wel meer verschenen. Geschiedenis van het gewone volk, van de arbeidersbeweging en van de bewegingen van de arbeiders was nog populair onder studenten.

Toeval bestaat niet zegt men, maar toeval bracht mij afgelopen zaterdag bij de Slegte naar een ander boekje over de staking van 1949! Er staken schoonmakers en mijn oog valt op een publicatie over een schoonmaakstaking. In 1978 schreven en tekenden Bert Kok en Rieks Swarte voor Sjaloom een kinderboekje over de schoonmaakstaking uit 1949. Vanuit het perspectief van schoolkinderen die in die eerste na-oorlogse jaren meemaakten dat er op hun school werd gestaakt en het een bende werd, de bende van ‘49. Het boekje eindigt natuurlijk met een moraal, de moraal dat de strijd nog lang niet is gestreden. En zo is het maar net. Het was een bende in ’49, in ’05, ’10 en het is een bende in 2012. Gelukkig zijn er altijd mensen die er iets aan willen doen.

Sjaak van der Velden

Blog 25, 5 februari 2012

Rode dominees ?

Vals claimen

Bij de recensie van en de open brief (zie hieronder) aan Piet Hagen zijn harde woorden gevallen, maar niet die van geschiedvervalsing. Een zeldzame combinatie van zo'n beschuldiging en het claimen van een verschijnsel voor eigen parochie laat Marie-Anne de Harder zien. In de stellingen (pagina één en twee) bij haar proefschrift Albertinus van der Heide (1872-1953). Rode dominee tussen pastoraat en parlement schrijft zij: "Door Talma een rode dominee te noemen maken Lammert de Hoop en Arno Bornebroek (…) zich niet alleen schuldig aan begripsverwarring maar ook aan geschiedvervalsing."

Het komt er op neer dat alleen dominees, die lid van de SDAP zijn geworden, zoals de gebiografeerde Van der Heide, rode dominees genoemd mogen worden. Een vent als A.S. Talma, die gewoon in de christelijke vakbeweging en politiek is gebleven en die godbetert de eerste sociale wetgeving vorm en inhoud heeft gegeven, mag geen rode dominee genoemd worden. Het profane walhalla van de SDAP geldt niet voor Talma. Een claim, die in de traditie staat van sociaaldemokratische zelfrechtvaardigingsgeschiedschrijving.

Nu hebben we in ons blad al eerder een artikel over rode dominees gehad. In nummer 16 schrijven Paul Denekamp en Herman Noordegraaf over dit verschijnsel van protestants christelijke voorgangers, die of opstapten als dominee of doorwerkten maar wel een belangrijke rol speelden in de sociaal-demokratische organisaties. In het artikel beschrijven beide jongens ook de mensen, die niet bij de sociaal-demokraten terecht gekomen zijn, maar bijvoorbeeld bij de communisten. Die beschouwen ze ook als rode dominees. Twee nummers later lazen we een aanvulling van André de Raaij. Hij beschrijft de anarchistische variant van de kanselsprekers. Een welkome aanvulling op een verschijnsel dat in geheel Europa vanaf het midden van de negentiende eeuw speelde. De Arbeiderskerk in Engeland is daar ook een mooi voorbeeld van, een organisatie die in Nederland voornamelijk bekend werd van de tendensroman Barthold Meryan van Cornelie Huygens.

Genoeg nuanceringen dus. Dit claimen van De Harder doet me denken aan de historicus Jan Romein, die in zijn Op het breukvlak van twee eeuwen uit 1967 een gesuikerde minachting vertoonde voor al die vooruitgangsadepten als blote voeters, vegetariers en feministen, omdat deze niet tot de ware vooruitgangsfilosofie toetraden: de sociaaldemokratie. Nu weten we toch wel beter. En bovendien er zijn meer vegetariërs en feministen dan sociaaldemokraten in Nederland, Europa en op de wereld.

En dan ook nog de term geschiedvervalsing. Hoe durf je! Omdat een andere interpretatie je niet zint dan maar een beschuldiging van vervalsing. Aan de andere kant is er ook een voordeel: ben je het niet eens met een interpretatie, vervalsing hupsakee. Heeft Loe de Jong een interpretatie over de rol van Wilhelmina, die met nieuwe bronnen aangevuld is: geschiedvervalsing. De NVV-boeken Naar groter eenheid en Om de plaats van de arbeid berusten op een interpretatie van het begrip modernisering. Dat is nu wel wat gedateerd: ook geschiedvervalsing. En mijn boek over het NAS is binnenkort met vele nieuwe bronnen gedateerd: eveneens geschiedvervalsing. En zo kunnen we nog jaren doorgaan.

Het lijkt me juist goed als er nieuwe interpretaties komen op basis van beschrijvingen, analyses en nieuwe bronnen. Zo’n vlucht naar voren van De Harder hoort niet thuis in de wetenschap.

En bovendien: ik durf te wedden dat De Harder de artikelen van Denekamp, Noordegraaf en De Raaij niet gelezen heeft.

Marten Buschman

Blog 24, 22 januari 2012

Rode laarsjes voor Dolle Mina

Annie M.G. Schmidt staat niet echt bekend als een strijdbare feministe. Hoewel haar teksten vaak dat rebelse hebben van de jaren zestig cultuur. Zij zelf vond zeker niet dat het feminisme nodig was. Misschien wel daarom heeft zij geheim laten houden dat ze het SUA-boek over de rebelse meid Dolle Mina, die een parel in de klassenstrijd zou zijn, financierde. En wel met vijf duizend gulden. Tom Nieuwenhuis onthulde mij dit geheim op een reunie van de Universiteit van Amsterdam. Zelfs voor Annie-biografe Annejet van der Zijl is deze transactie verborgen gebleven.

Annie M.G. Schmidt had in theorie niet zo veel op met het feminisme. Ze zei in 1987: "Het standpunt dat de vrouw onderdrukt wordt heb ik nooit willen aannemen. Integendeel, ik vind dat de vrouw heel veel macht heeft. Geen macht op maatschappelijk gebied, maar macht in het leven: het opvoeden van de kinderen en het onder de duim houden van de man." Toch heeft ze zonder het zelf te weten veel betekend voor de emancipatie van vrouwen in Nederland. Zelfstandigheid, breken met de burgerlijke moraal: het zit allemaal in haar liedjes, gedichten en de musicals. En solidariteit niet te vergeten. Ze was solidair met Wim Hora Adema, die na 22 jaar ontslagen werd bij Het Parool.

Dat er geld achter de uitgave zit, lijkt bij nadere beschouwing wel duidelijk. De brochure zelf ziet er veel beter uit dan de andere producties uit de beginjaren van de Socialistische Uitgeverij Amsterdam (SUA). Het fotokatern van acht pagina's is opvallend. Maar ook de strip van Peter van Straaten Vader en Zoon trekt aandacht. Allemaal zaken die geld kosten of vrijwillige medewerking vragen.

Er zijn nog vragen, die beantwoord moeten worden. Hoe kwam het contact tot stand tussen Annie en de SUA-redactie? Wie was de verbindingsvrouw?
Maar ook de vraag wie de brochure geschreven heeft is nog niet beantwoord.  'Het is samengesteld door een aantal Dolle Mina's uit Amsterdam", staat er vaagjes op de omslag. Maar wie? Afgaande op de inhoud zijn het vrouwen geweest, die het feminisme wilden verbinden met het socialisme. Immers: de traditionele huisvrouwenverenigingen met kookkursussen, de bewegingen die de strijd tegen de man voeren zoals Woman Power en de organisaties voor gelijkberechtiging worden als te beperkt in de hoek gezet.

Sinds 1970 is de geschiedenis van de vrouwenbewegingen niet de kant opgegaan, zoals de schrijfsters zich gedacht hadden. De huisvrouwenverenigingen en de feministische bewegingen bleven bestaan en zijn uitgegroeid. Daarnaast waren er de fem-soc bewegingen en tijdschriften als Katijf. En of de inhoud van de SUA-brochure een rol heeft gespeeld mag betwijfeld worden. Treffend is dat mijn exemplaar van de brochure, die van het Vrouwenhuis Groningen (catalogus 6.3 DOL 1970) afkomstig was, sinds het ontstaan van het Groningse Vrouwenhuis slechts twee maal uitgeleend is.

Nu we dankzij Tom Nieuwenhuis, toenmalig redactielid van het SUA-collectief, weten dat Annie M.G. Schmidt Dolle Mina. Een rebelse meid is een parel in de klassenstrijd gefinancierd heeft, blijft de vraag over wie de schrijfsters zijn van deze brochure.

Marten Buschman

Blog 23, 5 januari 2012

Aangevallen Iconen !

In 1998 verscheen het eerste deel van de biografie over Hendrikus ColijnDit leven van krachtig handelen – geschreven door de VU-historicus Herman Langeveld. De publicatie leidde tot een mediastormpje. Langeveld dook op in televisieprogramma's en elk zich respecterende krant besteedde aandacht aan zijn onthulling dat Colijn een oorlogsmisdadiger was geweest. Het was ook niet niks: een oud-premier van Nederland oorlogsmisdadiger! Nu heeft Langeveld deze term bij mijn weten nooit gebruikt; hij beschreef hoe Colijn tijdens de tweede Lombok expeditie in 1894 betrokken was bij de executie van dertien Balinese vrouwen en kinderen. Dat was en bleek voldoende voor de commotie.
Voor de antirevolutionaire aanhangers van Colijn was de onthulling pijnlijk. Zij hadden sowieso al geworsteld met de nalatenschap van deze kerel, zoals hij vaak getypeerd werd. Het imago van deze houwdegen was een voortdurende smet op het protestantse kleed. Maar ook nog een oorlogsmisdadiger, dat ging te ver. Een icoon was gevallen.

De val van de volgende icoon kondigde zich aan toen Jeroen Koch de opdracht kreeg een biografie over Abraham Kuyper te schrijven. Dit kon niet. Een niet meer praktiserende katholiek! Met vreze werd het resultaat afgewacht. De vooringenomenheid bleek groot. Met regelmaat viel te horen dat de biografie niet goed kon zijn. Waar dit op gebaseerd was, niemand die het mij duidelijk kon uitleggen. Bij de publicatie van Abraham Kuyper, een biografie in 2006 kwamen de emoties los. Ik hoorde een collega met een van emoties verstikte stem achter de interruptiemicrofoon roepen dat zo niet met een groot man omgegaan kon worden. Debunking vond ook hoogleraar Arie Van Deursen, die zijn christelijke achterban verbood het boek te lezen en ook de niet christenen een negatief leesadvies gaf. Ik vond het een prachtige boek en adviseerde in een recensie het omgekeerde: lees dat boek!

Toen bekend werd dat Piet Hagen een biografie ging schrijven over Troelstra ontrolde er zich een vergelijkbaar patroon. Nog voordat de er een letter op papier stond waren de scheidslijnen al getrokken. Doordat het enige tijd duurde voordat het boek verscheen, bleven de schampere geluiden beperkt tot: dat boek zal er wel nooit komen. Maar toen dit onjuist bleek, groeide de ongerustheid. Het kon niets worden. Waarom? De critici wisten het mij ook in dit geval niet duidelijk te maken. Dat kon ook niet want er stond nog niets op papier. Hagen moest van Troelstra afblijven. Van iconen blijf je met de fikken af, dat werd mij wel duidelijk. Ik vind het een mooi boek dat mij veel vertelde en leerde over Troelstra, maar voor diegenen die al van te voren wisten dat het niets was, zagen zich in hun gelijk bevestigd.

Nog even (hopelijk) en Jan Willem Stutje zal zijn langverwachte biografie over een andere Nederlandse icoon publiceren: Ferdinand Domela Nieuwenhuis. Stutje heeft het voordeel niet ver van Domela af te staan en hij heeft een goede reputatie opgebouwd met biografieën over Paul de Groot en Ernst Mandel. Maar toch, in de stilte hoor ik al hoe de messen geslepen worden.

Arno Bornebroek

Blog 22, 19 december 2011

Zwarte Piet - Enkidu

Nederland is een buitenbeentje, internationaal gezien. De eerste moderne republiek en een Neger als hulpje van een blanke goedheiligman. Het sinterklaasfeest ligt onder vuur, zozeer zelfs dat in Amsterdam een heuse demonstratie plaats vond bij een optocht voor kinderen. En die demonstranten werden ook nog eens hardhandig verwijderd. De betogers vinden Zwarte Piet maar racistisch.

is dat waar of is de werkelijkheid ingewikkelder dan gedacht?

De huidige Sinterklaas feesten gaan terug op het opnieuw instellen van het Middeleeuwse Sinterklaasfeest door de Amsterdamse schoolfrik Jan Schenkman, die vooral twee zaken toevoegde: de stoomboot en zwarte piet. Een invented tradition en allebei tegelijk anachronismen en moderniseringen van de viering van een heilige uit de vierde eeuw.

Maar nu kennen we het echte verhaal van Zwarte Piet dankzij de onthulling van een Andrew Zega, een Amerikaan in Parijs, die het epos van Gilgamesh (zie ook Philip Roths The Great American Novel) eens nader bestudeerde en tot de conclusie kwam dat zijn metgezel Enkidu niet een soort zwarte piet avant la lettre was, maar een caricaturale Neanderthaler. Enkidu’s kenmerken zijn: harig, kleiner en sterker, een jager, stamelen en met weinig cultuur. En hij en zijn familie sterven uit.

In de tijd dat Schenkman de Sinterklaastraditie opnieuw invulde is het Gilgamesh epos ontdekt in de bibliotheek van koning Ashurbanipal en zijn de eerste vondsten gedaan van fossiele skeletten, die naar het dal waar ze gevonden zijn, Neanderthaler genoemd werden. Ze werden allereerst als zeer dom en lomp afgebeeld en geschilderd, maar heden ten dage weten we dat ze in feite minstens even slim en handig waren als de huidige mens. Sterker nog: de huidige Aziaten, Australiërs, Noord-Afrikanen en Europeanen konden overleven in het koude Noorden dankzij enkele Neanderthal-genen.

Het is niet onmogelijk of uit de nevelen van het verre verleden stammend dat de vondsten in Nineveh en Duitsland de inspiratiebron zijn geweest van de heruitvinding van Zwarte Piet. Dus niet de eigen blanke homo sapiens met een zwart laagje en onhandig pratend in de vorm van een Neger wordt als hulpje te schande gezet, maar onze neef de Homo Neanderthaliensis. Zwarte Piet is in goed gezelschap: Enkidu speelt een belangrijke rol in het Gilgamesh epos.

Het is des te wranger dat de afstammelingen van de Afrikaanse (ten zuiden van de Sahara) Homo Sapiens de Neanderthaler in Zwarte Piet willen laten verdwijnen.

Vanwege het ontbreken van een Neanderthaler-gen?

Marten Buschman

Blog 21, 7 december 2011

Schuilnamen

Hallo Bert! Hallo Chico. Is Juliana er ook?

Ik ben nog maar net binnen of ik vraag me al af of ik wel aan het goede adres ben. Ik stap met Rob Lubbersen de Lutherse Kerk in voor de promotie van Hans Boot over de havenarbeiders. En Rob wordt begroet met de naam Bert. En aanwezigen, die ik vaag ken met andere exotische namen.

Een promotie is ook een weerzien van oude vrienden en als er een links onderwerp gekraakt gaat worden, is het ook een reünie van meestal oude kameraden uit linksachtige organisaties. Ditmaal ging het over bootwerkers en inderdaad in de promotiecommissie zaten oude bekenden: Erik Nijhof van een mooi artikel uit de jaren zeventig over de havenarbeiders in Rotterdam, Wout Buitelaar over werknemersonderzoek (samen met Ruud Vreeman) door de eeuwen heen en Marcel van der Linden, de promotor en voorstander van internationale historiografie.

De promotie zelf was heel herkenbaar. Een van de helden uit het boek is Janus Wessels, een bootwerker, die later havenopzichter werd en vooral goed wist hoe hij de arbeidsreserve en daardoor het gevaarlijke werk – er was te veel aanbod  – kon regelen. Havenarbeiders, vooral die in Amsterdam,.hebben altijd een streepje voor gehad vanwege hun revolutionaire karakter en aanpak. Zoals Wessels rond 1900 optrad als leider van de spontane solidariteitsstakingen en zoals de Rotterdamse havenwerkers van 1970 hun verzet vorm gaven.

Dat revolutionaire was ook in de aanwezigen terug te zien en dan vooral de radicale variant. Eén zag er zelfs zo’n beetje uit als Trotsky! Veel IKB-ers en SAP-ers. Voormalige IKB-ers wel te verstaan. Zelfs zoveel dat toen de meeste ex-kopstukken bij elkaar zaten in de nazit  - waar ik toevallig bijzat – gelijk anderen riepen: ‘kijk, het Politbureau is weer bij elkaar’. Aan die tafel zaten de kersverse doctor met Bert, Chico en Juliana. Blijkbaar belangrijke mensen vroeger. Het klonk wat grappig en ook kritisch. Zo’n naam, van het Russische Communisme overgenomen door de Trotskistische Wereldorganisatie, heeft geen goede uitstraling in het vrije westen. Gelukkig zijn die bovengenoemde drie nog steeds belangrijk: Rob/Bert als een filmrecensent van Grenzeloos, de biograaf van binnenkort drie radikalinski’s Chico/Jan Willem Stutje en Marcel van der Linden, bij de kameraden bekend als Juliana.

Bij meetings van sociaaldemocraten, zoals bij de publicatie van de Rode Canon, toch een historisch onderwerp, ontspoort het direct: ‘waarde partijgenoten’ was het eerste dat Cohen zei. Brrr. De lacherige sfeer van de liberale bijeenkomsten, die Arno Bornebroek ontwaarde, was er niet. Het was vooral weemoedig terugzien en toch ook wel trots zijn op acties, zoals die van Sal Santen en Michel Raptis en hun steun aan Algerije. Ik bracht dat ter sprake en werd meteen gecorrigeerd: Pablo bedoel je, de schuilnaam van Michel. Alsof ze daarmee te kennen gaven dat zij hem wel kenden en ik niet. En dat klopt ook wel, die combinatie van tomeloze inzet en geheimhouding is bijzonder en speciaal voor deze groep revolutionairen.

Maar buitengesloten worden door schuilnamen is bijzonder.

Blog 20, 18 november 2011

Het liberalen boek

Collega-redacteur Marten Buschman voelde zich nog al ontheemd tussen al die lieden met een protestants-christelijke achtergrond, toen hij zich waagde bij de presentatie van De Rode Dominee het boek over A.S. Talma en de sociale zekerheid. Het leverde in ieder geval een interessante observatie toen hij een vergelijking trok met Christiaan Cornelissen, ook een grondlegger van de vakbeweging. Het laat maar weer eens zien hoe verzuild de geschiedschrijving is en hoe onbekend we daardoor met onze eigen verleden zijn. Een goede reden om maar eens een kijkje bij de buren te nemen.

Doordat ik bezig ben met een boekje over de liberale politicus Pieter Rink (1851-1941) en het liberalisme in zijn tijd, meld ik mij op uitnodiging van de Teldersstichting op maandagochtend 7 november 2011 bij het Haagse Nieuwspoort voor de presentatie van Het Liberalen Boek. Nu weet ik hoe Buschman zich gevoeld moet hebben. De sfeer op de bijeenkomst is anders dan bij sociaal-democraten of protestanten. Voel je bij de sociaal-democraten een heimwee naar de verloren gegane strijdcultuur: bij de protestanten overheerst de ernst en een besef van tijdelijkheid, die treffend samenkomen in het gebed dat menig bijeenkomst omlijst. Hoe anders is de stemming bij de liberalen: opgewekt en optimistisch. Lacherig zelfs (nu geeft de huidige politiek voor de liberalen alle reden tot lachen). De aanwezige kopstukken - Hans Wiegel, Frits Bolkenstein en Mark Rutte – hoeven maar met de vingers te knippen of de lachsalvo's gaan door de zaal. Kopstukken: in Het Liberalen Boek wordt er een heel hoofdstuk aan besteed. Het gaat bij de liberalen om het indvidu. Het in fullcolor opgemaakte boek opent met Thorbecke en Rutte. Hoe anders is dit bij Het Gereformeerden Boek (2009) dat in sober zwart/wit is uitgevoerd en begint met een foto van een stokoude Kuyper bezig met zijn laatste gang en een op de rug gefotografeerd gezin dat op het punt staat de kerk binnen te gaan.

Behalve de eigen sfeer ademt Het Liberalen Boek ook het eigen gelijk uit. Thorbecke schafte de slavernij af, maar ging daar niet een Anti-Slavernij Beweging aan vooraf? Het is waar dat de eerste sociale wetten van de liberalen kwamen, uitmondend in het 'kabinet der sociale rechtvaardigheid', het kabinet-Pierson (1897-1901) met een reeks van belangrijke sociale wetten, waaronder de Ongevallenwet, Leerplichtwet en de Woningwet. De auteurs hebben niet de ruimte gekregen of genomen om hier en daar een nuance aan te brengen, zoals Kuypers beroemde groot-amendement bij de Ongevallenwet. Maar Het Liberalen Boek laat opnieuw zien dat de liberalen aan de basis stonden van de sociale zekerheid in Nederland. Feiten die weggedrukt zijn door het beeld van de VVD als partij van egoďsme en partij voor de ondernemers en lage belastingen. Het zijn ook de liberalen (VVD) geweest die de lichamelijke integriteit in 1983 in de grondwet hebben laten vastleggen, waardoor een vergaande zelfbeschikking over abortus en euthanasie mogelijk werd. Kortom Het Liberalen Boek biedt een mooi gelegenheid om eens bij de buren een kijkje te nemen en ze beter te leren kennen.

Arno Bornebroek

Blog 19, 13 november 2011

Noske: de slachter van Berlijn

Jan Marijnissen en de geschiedenis van het socialisme

Soms komen dingen in het leven zo toevallig voorbij dat je bijna zou gaan geloven dat toeval niet bestaat. Rijd ik in lijn 21 van de RET voorbij de Jan Porcellistraat waar ooit de geschiedenis van de Rotterdamse SP begon, valt mijn oog op een interview met de voorzitter van mijn partij in dagblad De Pers. Deze voorzitter is Jan Marijnissen van de SP (Socialistische Partij, voorheen Socialistiese Partij, voorheen Kommunistiese Partij van Nederland (marxisties-leninisties)).

Wat hij daarin allemaal beweert, laat maar weer eens zien dat de kennis van geschiedenis onder veel politici ergerniswekkend laag is en hoognodig moet worden bijgespijkerd. Zelfs bij een politicus als Marijnissen die zich sterk heeft gemaakt voor het nationalistische project van een huis van de geschiedenis. De ergernis wordt overigens ook gevoed door de toon die hij zoals gebruikelijk aanslaat tegen mensen die hem tegenspreken: die wordt dan erg onaangenaam. Ook als hij beweert dat Lubbers Nederland niet heeft veranderd, dus dat Marijnissen zich niet hoeft te schamen dat Nederland door de SP nauwelijks is veranderd, valt Jan door de mand. Lubbers is toch de man die het neoliberalisme vleugels heeft gegeven en zo Nederland van een sociale samenleving in een kil graaiersparadijs omzette? Hoezo het land niet veranderd?

De kern van zijn ergerniswekkende beweringen was echter dat de SP beter niet socialistisch had kunnen heten, maar iets als sociaaldemocratisch plus of zo. Dit omdat het socialisme bezoedeld is. Om zijn gelijk aan te tonen komt hij aan met de voorbeelden van de Sovjet-Unie, Oost-Europa en Cuba. Als oud-maoďst ziet hij trouwens nog wel iets positiefs in communistisch China dat hij tegen de interviewer verdedigt. En hier wreekt zich zijn gebrek aan historische kennis en inzicht.

Hoe heette de partij die in 1917 naar de macht greep in Rusland? Dat was de Russische Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (bolsjewiki) die zich later Communistische partij ging noemen. Deze RSDAP was een radicale variant van de andere sociaaldemocratische partijen op de aardbol van dat moment. Niks geen socialistisch. De sociaaldemocraten wilden zich juist afzetten tegen de socialisten die in de negentiende eeuw het kapitalisme radicaal omver wilden werpen. Sociaaldemocraten daarentegen wilden binnen de grenzen van het bestaande politieke systeem proberen het leven van de gewone man en vrouw te veraangenamen. Niks geen revolutie; hervorming was hun devies. Dat ging zelfs zover dat de Duitse sociaaldemocratische partij - en met name Gustav Noske - met bloed en geweld in 1918 een revolutie hielp neerslaan: hoezo bezoedeld?

Socialisten wilden de wereld veranderen in een waarin de mensen zelf aan de macht kwamen, sociaaldemocraten willen de macht van de staat vergroten om namens die mensen aan het roer te staan. Dat is wat juist de sociaaldemocratie zo onaangenaam maakt. De voorzitter van de SP heeft waarschijnlijk geprobeerd de partij nog een stukje acceptabeler te maken voor eventuele toekomstige coalitiepartners nu het in de peilingen erg goed gaat. Maar hij heeft een hoop uit te leggen aan de leden die hebben moeten lezen dat ze per ongeluk lid van een club zijn geworden die zich socialistisch noemt.

Sjaak van der Velden    

Blog 18, 3 november 2011

Talma vs Cornelissen

Tout Protestants Nederland was er. De presentatie van de biografie over A.S. Talma was een grote gebeurtenis. Meest opvallend aanwezige was Wim Aantjes, Kamerlid voor de ARP in de jaren zeventig en beroemd vanwege zijn prachtige toespraak over de sociale inhoud van politiek bedrijven, uiteraard zijn bergrede genoemd. 

Er was geen vertegenwoordiger van socialistische of katholieke sociale bewegingen of organisaties. En ook geen historici met die andere achtergronden of verleden. Ikzelf voelde me een beetje ontheemd tussen al die lieden met protestants-christelijke achtergronden en dito grapjes, die ik uiteraard niet begreep. Bij het lezen van het boek, dat een voortreffelijk beeld van Talma en terecht een positieve waardering van Talma's werken geeft, valt het hoofdstuk over Talma's rol in de vakbeweging met de titel De Leeuw van Patrimonium zeer op.

Talma als dé Cornelissen van de christelijke vakbeweging. Christiaan Cornelissen was de oprichter van het NAS in 1893 en de verantwoordelijke persoon voor het ontstaan van de vakbeweging zonder - socialistische - ideologie. Talma, lees ik nu, heeft er voor gezorgd dat ook de christelijke arbeiders zich zelfstandig - zonder patroons - organiseerden.

Toch stond ik als lezer en kenner van de algemene socialistische en revolutionaire vakbeweging vaak op het verkeerde been. Bijvoorbeeld lezend op pagina 86 dat 'in 1903 in ieder geval de geest uit de fles' was. De spoorwegstakingen van januari en april denk ik direct. Maar neen, de volgende zin stelt droog vast: 'Het ontstaan van protestants-christelijke vakbonden was niet meer te stuiten'.

Minutenlang heb ik zitten glimlachen, zo'n onverwachte wending, althans voor mij. Ook over het Christelijk Sociaal Congres uit 1891 verwachtte ik steeds een lijntje naar de ontwikkelingen van de socialistische naar een algemene vakbeweging uit dezelfde periode. Niets van dat alles, zoals ik in mijn boek over het NAS (1893) dat Christelijk Sociaal Congres zelfs niet genoemd heb. Wel dat de christelijke organisaties bij de oprichting van het NAS wel uitgenodigd, maar (uiteraard) niet aanwezig waren. Ik heb me toen ook niet verdiept in de beweegredenen van het wegblijven. Na lezing van de biografie over Talma denk ik dat dat niet terecht is. Er speelden dezelfde zaken: economische veranderingen deden afbreuk aan ideologie als organisatiebeginsel. En of dat nu socialisme of katholiek of christelijk was, doet minder terzake dan ik twintig jaar geleden dacht. 

Een andere parallel: zoals Talma de christelijke arbeiders op het belang van vakorganisatie tegenover de christelijke ondernemers heeft gewezen zo heeft Christiaan Cornelissen de heren van het partij-socialisme verteld dat vakbeweging los van de socialistische ideologie van groot belang was voor de arbeiders zelf. Zelfs in hun woordkeus zijn er overeenkomsten. Samenwerking tussen Talma en Cornelissen was een stap te ver: de sociaal-culturele verschillen waren te groot. Ik zie ze ook niet samen optreden de vrolijke ex-katholiek uit Brabant en de ernstige dominee uit de Betuwe.
Eén ding is wel duidelijk: Talma en Cornelissen zijn gebroederlijk de belangrijkste wegbereiders van de Nederlandse vakbeweging door ideologische beperkingen weg te nemen.

Marten Buschman

Blog 17, 20 oktober 2011

Populisme en het Jaarboek Kritiek 2010

Populisme is een veelkoppig monster dat zich niet makkelijk laat vangen. Kritiek. Jaarboek voor socialistische discussie en analyse 2010 waagde zich er aan en deed een moedige poging om enigszins een grip op het verschijnsel te krijgen. Is populisme een corrigerend mechanisme binnen de democratie of de duistere kant van de democratie? Is populisme rechts of links? Is populisme de motor van de politieke vernieuwing, staan we aan het begin van een nieuw tijdperk of is het een tijdelijk verschijnsel? Laten we eens trachten aan de hand van de artikelen in Kritiek enkele karakteristieken op een rij te zetten.

Het begin van het (hedendaagse) populisme ligt bij Fukoyama's einde van de geschiedenis die intrad na de val van de muur. De grote vijand verdween en dat leidde tot een erosie van de overheersende rechts-links tegenstelling, die een verlammende effect had en politieke vernieuwing tegenhield. Internationaal zocht de sociaal-democratie de (derde) weg in het midden. Zij vond en omarmde het neo-liberalisme. In Nederland gingen de veranderingen gepaard met de ontzuiling, het proces waarbij in het bijzonder de christen-democratie haar geďnstitutionaliseerde middenveld in het moeras zag wegzakken. Met andere woorden er ontstond politieke ruimte voor een nieuwe brede beweging, die qua electoraat, naar de oude maatstaven, noch links, noch rechts is. Meer dan ooit zweefde de kiezer, los van structuur of zuil.

Gelijktijdig vond er een tweetal culturele vernieuwingen plaats die hier grote invloed op zou uitoefenen: de opkomst van de commerciële televisie en internet. Nu is het verband tussen de vergaande vercommercialisering van de media en het politiek populisme geen bewezen of vaststaand gegeven, maar in de populaire media spelen de emotionalisering en personalisering een vooraanstaande rol. De emotie werd belangrijker dan de visie op de samenleving, door politici inmiddels teruggebracht tot 'een goed verhaal'. En dit 'goede verhaal' werd gedwongen in oneliners verpakt; tijd voor uitleg, discussie of toelichting is er niet meer.

De personalisering van de politieke boodschap maakte een einde een oude vertrouwde politieke stijl van leiderschap. De politicus stapte uit de actualiteitenrubriek en liet zich in allerlei andere programma's zien. Vooral in talkshows, waar inmiddels de journalist de vedette is, en de gasten mogen aanschuiven. Een vermenging van entertainment en politiek vond plaats. Politici die zich hier niet in thuis voelden, worden genadeloos afgestraft (Balkenende, Cohen) anderen schoten omhoog in de peilingen (Wilders, Rutte).

Dankzij de nieuwe media – Twitter, internet, Facebook – kwam de politicus steeds dichter bij zijn achterban, zij het in een andere setting dan de kiezer gewend was. Het gesprek tussen politicus en zijn achterban veranderde, individualiseerde. Door e-mail werd een direct contact mogelijk. E-mail en internet bleken veel laagdrempeliger te zijn dan de ouderwetse brief. Door het wegvallen van het maatschappelijk middenveld en door de opkomst van de nieuwe media viel de kloof tussen politiek en kiezer praktisch weg. Fortuyn en Wilders wisten als geen ander op de gewijzigde omstandigheden in te spelen. Met eenvoudige boodschappen en het doorbreken van taboes door 'zaken te benoemen', wisten zij het vertrouwen van velen te winnen.

Het idee van een groeiende kloof tussen de politiek en de burger is dan ook een populistische mythe. De populisten hebben baat bij bij deze kloof. Het schept een hechte onderlinge band tussen de populist en zijn kiezer en creëert een gemeenschappelijke vijand. Of het nu de files zijn, de bureaucratie, de hoge belastingen, de onverkoopbaarheid van het huis, het is allemaal de schuld van´Den Haag': het synoniem voor zakkenvullers die de schijt hebben aan de burgers. Hoe groter de zogenaamde kloof ervaren wordt, hoe groter het succes van de populist. De islam speelt – hoe vreemd het ook klinkt - hierbij een ondergeschikte rol; hij kan probleemloos vervangen worden door de Europese Unie en haar symbool de Euro. Want de EU bedreigt ook onze nationaliteit en onafhankelijkheid.
 
Het populisme leeft op angst. De bedreiging van de identiteit, de verstoring van harmonische orde – er zitten beslist xenofobe trekken in – het roept allemaal behoudende krachten op. Er wordt een tegenwereld gecreëerd, die nooit bestaan heeft, maar wel het kader vormt van waaruit beoordeeld wordt. Er bestaat angst voor verandering. Het populisme keert zich tegen de Europese Unie en tegen de islam. Opmerkelijk daarbij is de versimpeling van de werkelijkheid. Bijvoorbeeld het terugbrengen van problemen tot de religie en de culturele onvere-nigbaarheid van de islam met het westen. Andere factoren zoals bijvoorbeeld de band tussen hangjongeren en grotestadsproblematiek worden weggelaten. Of het verband tussen sociaal-economische achtergrond en criminaliteit. Door hun eigen werkelijkheid te creëren misvormen de populisten het debat en het denken over reële problemen in de samenleving. Maar verschilt dit wezenlijk van de ideologische interpretatie (misvorming) van de werkelijkheid van de oude politieke partijen?

Dit leidt tot een aantal kanttekeningen. In Kritiek wordt gezocht naar een links antwoord op het populisme. Dat is legitiem, maar gaat voorbij aan het wezen van het populisme dat niet in deze oude termen te vangen is. Misschien moeten deze begrippen vervangen worden door behoudend en vooruitstrevend. Want ook de SP, zeker onder Marijnissen, kan gezien worden als een populistische partij: behoudend, licht xenofoob, nadruk op nationale identiteit – denk aan het nationaal historisch museum! Bovendien zit in de veronderstelling van Kritiek impliciet de gedachte dat het populisme te bestrijden is.

De ondertoon van het jaarboek is naar mijn smaak te verdedigend. Te weinig wordt de uitdaging gezien. Het populisme is een internationaal verschijnsel dat de democratie wezenlijk zal veranderen, het is geen ziekte die genezen kan worden. En het lijkt zeker geen tijdelijk verschijnsel te zijn; gesteund door de moderne ontwikkeling in de media in brede zin. Met ander woorden het is taak in te spelen op die verandering, en niet te verzetten. Het is een uitdaging: hoe geven we onze moderne samenleving, politiek en democratie vorm.

Arno Bornebroek

Blog 16, 5 oktober 2011

Rijksveldpostauto voor 1903?

De spoorwegstakingen van 1903 blijven me fascineren en zeker de tweede, de aprilstaking. En daardoor ben ik altijd op zoek naar documentatie, nieuwe literatuur of foto's. Bij de tweede staking was de inzet van Peugeots voor de postvoorziening een essentieel element in het mislukken van die staking. Die Peugeots zijn, zoals bekend, door de firma Verwey en Lugard geleverd. 

Deze firma is niet alleen bekend van 1903, maar ook als een van de eerste vliegtuigfabrieken in Nederland onder de naam Maatschappij voor Luchtvaart en een automerk onder de naam VLAM. En daardoor krijgt het veel aandacht van liefhebbers van Nederlandse luchtvaart- en automobielgeschiedenis. En zodoende ben ik ook te weten gekomen dat die prachtige brochure uit 1904 over de rol van de Verwey en Lugard auto's integraal gescand is. 

Een maand geleden googelde ik Verwey en Lugard en vond een foto met onderschrift Rijksveldpostauto van Verwey en Lugard op de website van een prentbriefkaartenverkoper. Een intrigerende tekst en foto. Immers die Peugeots en andere automobielen hebben in 1903 vooral post bezorgd, die normaal gesproken door treinen werd vervoerd. Was hier een nieuwe '1903'-foto gevonden, die ik kon toevoegen aan de reeks? Helaas: op de achterkant van de prentbriefkaart is een adres (Da Costastraat 16''' Amsterdam) vermeld, gericht aan de jonge juffrouw Wietske Mulder en de datum van verzending: in het jaar 1910. Die prentbriefkaart is dus gemaakt vóór dat jaar. Maar 1903? Ik denk het niet, want het tafereel is nogal vredelievend, in ieder geval meer dan die andere over de spoorwegstakingen. Maar toch dringen zich nieuwe vragen op: heeft de firma Verwey en Lugard een bestelling ontvangen voor deze postwagens vanwege hun rol in de spoorwegstakingen van 1903? En waren die rijksauto's voor de verzending of de bewaking? Nader onderzoek is nodig!

Marten Buschman

Blog 15, 21 september 2011

Kinderen Sterman in 1923, links Martin

Engelschman over Martin Sterman !

In het voortreffelijke boek Wij gingen onze eigen weg met vier persoonlijke herinneringen van revolutionaire mannen staan fraaie verhalen over allerlei gebeurtenissen, die zij meegemaakt of vooral zelf gecreëerd hebben. In de inleiding schrijven de bezorgers dat zij niet de feiten en gebeurtenissen gecontroleerd hebben op hun waarheidsgehalte en citeren een zin van mij over de memoires van Pieter Jelles Troelstra (de helft is gelogen en de andere helft is ook niet waar), een beetje uit zijn context gelicht. Een zin die ik nog gebruikt heb in een aanzet voor discussie over het boek van Piet Hagen over Troelstra.

Al lezende stoort het helemaal niet dat er geen uitvoerige verantwoording of notenapparaat de verhalen van de revolutionairen ondersteunen. Op één uitzondering na. Een klikje in de tekst op pagina 76. "De NSB colporteerde met hun blad Volk en Vaderland nooit bij ons in de buurt, want zij waren op de hoogte van ons verzet. Wel stuurde zij een jonge jongen met hun krant de straat op om ons te provoceren. Het was Martin Sterman, wiens broer Otto lid was van de SDAP. We hebben Martin toen opgenomen en hem met zijn kranten in de gang van zijn huis neergelegd." Opgeschreven door Henri Engelschman.

Martin Sterman een aanhanger van de NSB? De broer van Otto Sterman? Een neger in de jaren dertig in Amsterdam met fascistische sympathieën? Klopt dat of is de schrijver abuis?

Amsterdam 1970

Over Martin Sterman is veel terug te vinden: een mooie is deze ode van een vriend.  Daar zien we hem met zijn vader, een Antilliaanse hofmeester, in het Vondelpark. Zij woonden in de Frederikstraat 13'' tussen Overtoom en Vondelpark. Martin Sterman is geboren in 1916, zijn moeder kwam uit Groningen. In het vooroorlogse Nederland was iedereen zwart, die niet 100 % Hollands was. Otto en Martin Sterman vielen op. Beiden hebben hun weg gevonden in de artistieke wereld van het amusement.

De bovenvermelde gebeurtenis speelt in of na 1934. Martin is dan 18 jaar of ouder. Naar mijn idee is het onwaarschijnlijk dat Martin Sterman, op dat moment geen jongen meer!, zich met NSB-ers heeft ingelaten. In de biografische schets van Otto (en een beetje Martin) Sterman schrijven Maaike Meijer en Rosemarie Buikema in hun boek Cultuur en migratie in Nederland. Kunsten in beweging 1900-1980 niets over een mogelijkheid dat Martin zich aansloot bij de NSB. De amusementswereld was ook niet echt een bron, waaruit de NSB in de jaren dertig haar leden haalde.

In een prachtig portret (Mijn eigen leventje) van Sterman door David de Jongh vertelt Martin zelf wat hij allemaal meegemaakt heeft. En dat is veel, onder andere opgepakt door de Duitsers (want die hadden het niet zo op negers en jazz) en de kampen Vught en Amersfoort overleefd. In de jaren zeventig ving Martin op zijn woonboot in Amsterdam jongeren op. Niets wijst op een bruin verleden.

Verder is opmerkelijk dat Engelschman niet vermeldt dat Martin Sterman zwart is. Ook is het van de Stadionbuurt naar de Frederikstraat nog een heel eind om iemand in zijn huis te schuiven. De Stadionbuurt was dan misschien wel veilig, maar door het Vondelpark met een 'gevangen' NSB-er is toch weer wat anders.

Kortom: ik denk dat Henri Engelschman zich vergist.

Marten Buschman

Blog 14, 13 september 2011

Al weer meer dan tien jaar geleden is Rob Stolk overleden en begraven. Op 31 maart 2001 aan een hartaanval. Zijn rol als provo in de jaren zestig en ook als Nieuwmarkt actievoerder in de jaren zeventig is bekend en befaamd in binnen- en buitenland. Minder bekend is zijn rol als vormgever. 

Dat vormgeven zijn rol als één van de aansprekende mensen van Provo meer relief geeft, laat de tentoonstelling zien die in februari en maart van dit jaar in het avant-gardistische w139 te zien was.

Deze tentoonstelling is gemaakt door Experimental Jetset. Dat zijn twee vormgevers, onder wie Marieke Stolk, de dochter van Rob. Het was vreemd om haar te zien staan en praten vanuit de verte gelijkend op haar vader en moeder. Haar stem als Rob, gezicht als haar moeder en haar houding er een beetje tussen in.

Wat maakt deze tentoonstelling en in retrospectief de vormgeving van Rob Stolk zo bijzonder? Eigenlijk is dat een gekke vraag. Want Rob zelf was natuurlijk bijzonder.

Maar laat ik eerst even vertellen dat ik zelf Rob als uitgever van de De Tand des Tijds heb meegemaakt. In 1979 was ik Het Volk, het dagblad van de SDAP, aan het uitspitten om alles over Herman Gorter en de sociaal-democratie te weten te komen. En wel voor een uitgave van Gorters politieke geschriften. Want ik wilde aantonen dat Gorter veel meer in de partijorganisatie betrokken was dan voorheen aangenomen werd. En daarom zat ik uren te bladeren in die grote bladzijden van Het Volk. En kwam plotsklaps een verhaal tegen van redacteur Louis Schotting, die anoniem als onderkruiper gewerkt had tijdens een staking van havenarbeiders in 1907 te Rotterdam. Ik liet het Jacques Giele lezen en die zei direct dat is iets voor De Tand des Tijds. Hij schreef een kort briefje naar Rob en wat later belde Rob op. Nu nog hoor ik die vrolijke jongensstem in mijn hoofd, toen door de telefoon. Ik stuurde twee getikte A4tjes, Jacques had het pamflet al opgestuurd. En zo is mijn eerste stuk in De Tand van december 1979 (editie 27) verschenen.

Maar terug naar de tentoonstelling.  

De zaal is periodiek ingedeeld. Een vrij kleine zaal, maar van alle ruimte is gebruik gemaakt. De smalle ruimte is efficiënt ingedeeld, zodat alle onderwerpen goed getoond worden.

Als eerste is er Barst uit 1964. Het eerste en enige nummer van Barst, daar had ik veel over gelezen, maar nooit gezien en altijd gedacht: slechts een nummer met prachtige ideeën. Maar wat een vormgeving! En gemaakt met beperkte middelen.

Zoals blijkt heeft Rob vanaf het begin inzicht en aandacht voor de rol van vormgeving gehad. En dat die aandacht een rol speelde bij de opgang van Provo laat bijvoorbeeld de verkiezingsaffiches uit 1966 zien, zoals deze bekende. 

Provo is algemeen bekend: vooral het affiche met de opheffing van Provo is een meesterwerk en ook meteen duidelijk waar het over gaat. Provo is een beweging gebleven en geen instituut geworden. Een bijzonder verschijnsel dat een beweging zich zelf opheft en dat was vooral door de inzet van Rob.

Dat deze uitnodiging in affichevorm direct de essentie weergeeft is direct helder: opheffing is het enig mogelijke vervolg van al het voorgaande.


Zijn Nieuwmarkt krantje valt ook op. Ook dat kende ik niet zelf. Ook dit blad, dat maandelijks, wekelijks uitkwam is vooral bekend en beroemd vanwege de inhoud. En heeft een belangrijke rol gespeeld in het verloop en uiteindelijke succes tegen de kaalslag van de Nieuwmarkt-buurt.

En dan de Tand des Tijds. De mooiste van het geheel, maar ik ben een beetje bevooroordeeld. Een blad dat opviel door zijn korte en bondige stukjes  - artikelen kan je het eigenlijk niet noemen - die wel met zeer veel achtergrond geschreven zijn. Afbeeldingen (zie link boven) maken dat duidelijk. Bij het plaatsen van de edities heb ik een kort stukje geschreven over de rol van Rob: de redacteuren komen en gaan maar Rob was en bleef de constante actor. En hij was - met Steef Davidson - de initiatiefnemer van het blad. In de zomer van 1976 kwamen zij met het idee van dit blad bij Jacques Giele met de vraag om medewerking. Die ging de volgende dag op wereldreis, zodat diens medewerking pas van een jaar later dateert.

Via de website van de Experimental Jetset zijn ook nog geluidsfragmenten te vinden. Vooral de kreet van Jasper Grootveld de misselijkmakende middenstandsmentaliteit mag ik graag nog gebruiken. Die term heeft nog steeds actuele waarde.

Op de avond (8 maart 2011) van films en andere voordrachten, verzuchtte iemand: wat een lef hadden ze toen. Het is maar welk perspectief je hanteert. In de jaren zestig lagen de oorlogsjaren zo dichtbij, dat toen niemand zoiets gezegd zou hebben. Mij viel vooral op het open, vrolijke en brutale karakter van al die bewegingen, kranten en actiegroepen en van Rob zelf. 

Maar inderdaad: die lef van Rob missen we wel!

 

Blog 13, 4 juli 2011

Oproer en socialisme voor de tweede maal

Belofte maakt schuld, al is het al vier maanden geleden dat ik schreef over de Amsterdamse tentoonstelling Pers en politie. Een aardige, zo niet bijzondere exhibitie met een vervelend foutje: de negentiende eeuwse socialisten zouden niets met het Palingoproer te maken hebben. De tentoonstelling en het boek Pers en politie in Amsterdam van Henri Beunders en Marcella van der Weg vormden twee kanten van de medaille. Maar ik was wel benieuwd naar het achtergrondverhaal van de beide schrijvers, hoogleraar en journaliste. Het moet gezegd: het viel niet mee.

In het boek is er natuurlijk meer plaats dan in de tentoonstelling voor historische achtergronden en nuanceringen, maar ook hier zijn de socialisten vooral voorbijgangers, die langsliepen en toekeken. Achtergrond is - en dat verklaren ze op een juiste wijze - de pacificatie van het gewone volk: het ruwe ontspannen, zoals bij de Amsterdamse Kermis, moest geweerd. Het Kermisoproer en het Palingoproer zijn uitingen dat het volk zich niet zo maar hun uitjes liet afpakken en verbieden. En het socialisme van de SDB was in de Jordaan stevig gevestigd en had ook de functie van wat we nu buurtverenigingen zouden noemen. De SDB was innig verbonden met de volkse Jordaneze cultuur in al zijn facetten, dus ook de volkse eer, haat tegen de politie en vechtcultuur. 

Naar mijn idee zien de schrijvers het socialisme en de socialisten toch vooral in de vorm van de latere SDAP en van de bedaagde burger-socialisten en overlopers uit de haute bourgeoisie als Pieter Jelles Troelstra en Pieter Lodewijk Tak. En die hebben natuurlijk niet die volkse trekken van de Jordaners. De SDAP-socialisten zetten zich direct vanaf 1894 en in hun latere geschiedschrijving af tegen de 'oude beweging', zoals zij dat noemden. En die vertekening hebben de beide auteurs simpelweg overgenomen zonder dat zelf in de gaten te hebben. En ook zij negeren de dissertatie van Dennis Bos.

De andere kant van het verhaal is dat Beunders en Van der Weg over andere sociale conflicten als de Spoorwegstakingen van 1903, de Zeeliedenstaking van 1911, het Aardappeloproer en de vergissing van Troelstra ook behoorlijk oppervlakkig zijn. Ze zijn ook schaars met verwijzingen naar recente literatuur, zoals over het Aardappeloproer, over de Bouwvakstaking of over de stilte van 2003, het herdenkingsjaar van 1903. 

Een andere opvallende zin is die op pagina 121, waarin zij Rotterdam het epicentrum van de Fortuynrevolutie noemen. Niet het centrum, maar het epicentrum. Niet doordringen tot de kern, maar aan de oppervlakte blijven. Het kenschetst het boek op bovengenoemde punten. Gemiste kansen dus, vooral omdat even googelen veel zou opleveren.

Reactie Marcella van der Weg

Beste Marten,

Ik las zojuist met belangstelling jullie website onvoltooid verleden - al was het maar omdat er een bespreking van ons boek Pers en Politie in Amsterdam op staat. Een kleine correctie: het achtergrondverhaal is alleen door Henri Beunders geschreven, evenals de de meeste 'oproerzaken.' Ik ben verantwoordelijk voor de 'moordzaken' en de Februaristaking, zoals ook in het boek staat aangegeven.

Blog 12, 20 april 2011

Geschiedenis van stakingen weer in de belangstelling

Van 16 tot 20 maart vond in Lissabon de International Conference Strikes and social conflicts XX century (Congresso Internacional greves conflitos socials séc XX) plaats. Gegroeid vanuit een persoonlijk initiatief van de Portugese historica Raquel Varela en mij kreeg de conferentie de organisatorische en financiële steun van vijf onderzoeksinstellingen. Het werd een verrassend succes.

Toen we begonnen met de voorbereidingen verwachtten we niet meer dan 40 of 50 belangstellenden. Daarom breidden we – een beetje onzeker – de aanvankelijke naam uit van Stakingen tot Sociale Conflicten in het algemeen. Wisten wij veel. Na plaatsing van onze oproep tot deelname op een aantal weblijsten en het sturen van emails naar onze eigen contacten, stroomden de aanmeldingen binnen. Geen 40 of 50, maar meer dan 260 mails verstopten onze mailboxen bijna. Ik zou de lijsten bijhouden en dacht dat af te kunnen met een simpel excell-bestandje. Dat ging nog wel, maar het opslaan van alle voorstellen en die ook nog beoordelen, dat was andere koek. Gelukkig hadden we opgeroepen tot een bilingual conferentie, dus veel voorstellen arriveerden in talen die ik niet of in ieder niet genoeg machtig ben om een papervoorstel te kunnen beoordelen. We beloofden dat tijdens de conferentie de papers simultaan zouden worden vertaald, wat maakte dat velen een paper indienden die dat bij een Engelstalige conferentie wel uit hun hoofd zouden laten.

Raquel moest alle Spaanse en Portugese voorstellen lezen en ik nam de Engelstalige en sporadische Franse voor mijn rekening. De kwaliteit viel niet tegen dus het was moeilijk inhoudelijke criteria de doorslag te laten geven. Omdat we wel begrepen dat we het financieel organisatorisch niet zouden redden om een conferentie voor zoveel mensen succesvol te managen (en dat zonder bonus) besloten we om ongeveer 80 voorstellen af te wijzen. Een enkele op inhoudelijke gronden, maar de meesten op andere gronden. Grote namen lieten we voorgaan, dubbelingen in onderwerp wilden we ook vermijden en tenslotte vonden we het belangrijk om de internationale spreiding zo groot mogelijk te maken.

We hielden in het verdere verloop van de voorbereiding een zo strikt mogelijk schema aan. Deadline is deadline. Dat had trouwens ook te maken met de simultane vertalingen, want de vertalers wilden de teksten van de papers ruim van tevoren ontvangen zodat ze zich konden voorbereiden. De oorspronkelijk toegezegde simultaan vertaling konden we als gevolg van de grote toeloop nog slechts garanderen voor twee derde van de conferentie. Ook beloften als het gratis diner en de stadsrondleiding vervielen; er moest nu voor worden betaald.

Met veel hangen en wurgen zagen we kans om een mooi programma in elkaar te draaien. De papers werden allemaal op een website geplaatst, gehost door het IISG. Sprekers uit Brazilië, Israel, Duitsland, Spanje en nog ongeveer vijftien landen vulden het programma (zie de bijlage). Er vielen op het eind nog wat mensen af en er kwamen er nog een paar bij. Maar de hele conferentie overziend was het een groot succes. Zoveel mensen die zich een beetje in de schaduw van de grote debatten nog steeds bezig houden met de geschiedenis van vooral stakingen en andere arbeidsconflicten. Veel jonge studenten ook, dus geen grijze oude mensenhobby, maar een levend debat over de vraag waarom en hoe mensen af en toe in verzet komen tegen onrechtvaardige toestanden.

Het was in alle opzichten een inspirerende bijeenkomst met 46 sessies, ongeveer 150 deelnemers, nog eens honderd toehoorders, en een aantal ronde tafel bijeenkomsten. Ik hoop maar dat we vorm kunnen geven aan de gemaakte afspraken om over twee jaar weer een dergelijke conferentie te organiseren. Dat we kans zien de papers op een of andere manier te publiceren en de International Association for the Study of Strikes and Social Conflict van de grond komt.

Sjaak van der Velden
Zie ook de afsluitende toespraak van Sjaak.

Blog 11, 18 maart 2011

Lindengracht 1886

Politie, oproer en socialisme

De tentoonstelling is al voorbij, maar gelukkig is er nog steeds de website over politie en pers. Een prachtige tentoonstelling waaruit blijkt hoezeer de Amsterdamse politie zich op de hoogte stelt van het leven in de stad. Vele zaken komen aan de orde, vele ook niet. Anderhalve eeuw fotografie en oproer is ook een hele lange tijd. Laten we eens inzoomen op één zo'n gebeurtenis het palingoproer. De aanleiding is bekend. In de woorden van de samenstellers: “Op de zomerse zondag 25 juli 1886 organiseerde een stel Jordanezen een spelletje palingtrekken op de nog niet gedempte Lindengracht. Toen de politie daartegen optrad ontstonden er rellen. De politie trad hard op en wist ’s avonds om 10 uur de orde te herstellen.”

De context van het deze uitbarsting is natuurlijk niet dit eenvoudige relaas. ‘Een stel’ is een suggestieve mededeling. Alsof een klein clubje inwoners van de Jordaan iets begint terwijl iedereen weet dat zo iets wreeds als palingtrekken verboden is. De achtergrond is echter dat veel Amsterdams vermaak, zoals de Kermis, die verboden werd en waar het Kermisoproer van 1876 op volgde, te ongeciviliseerd werd bevonden door de burgerij en bestuurders. Zo’n verbod past mooi in wat later het beschavingsoffensief genoemd werd. Jammer dat de makers van de tentoonstelling dit niet in de gaten hebben gehad. Het is dus niet ‘een stel’ tegenover de politie, neen het is de weerstand tegen het afpakken van een van de weinige verzetjes van de volksklasse. Om van de afschuw van de lompe en onbehouwen nog-niet-moderne politieagenten nog maar te zwijgen.

Erger vind ik een andere lapsus. Socialisten deden niet mee, hielden zich ervan verre, behalve sommige toevallige passanten, schrijven de samenstellers. Dat is geheel in lijn met de overheersende geschiedschrijving over de opkomst van het socialisme: zo iets barbaars en ongemanierds hoort niet bij de historie van het socialisme. De werkelijkheid is minder fraai en al meer dan tien jaar geleden in de dissertatie van Dennis Bos aangetoond dat zo’n beetje alle socialisten uit De Jordaan niet alleen meededen maar ook een belangrijke rol hebben gespeeld in het proces van het oproer. Dennis Bos heeft in zijn boek Waarachtige Volksvrienden dat glashelder aangetoond. Eerlijk gezegd ook een beetje tot mijn verrassing. Een paar citaten: "Gezien de talloze en veelzijdige bijdragen van socialisten aan de gewelddadigheden van het Palingoproer, was het opvallend maar begrijpelijk dat de sociaal-democratie nog vele jaren met kracht en volharding de eigen schuld bleef ontkennen."(p. 217) en op pagina 218: "Dat de troep van dertig socialisten, na afloop van de vergadering in het Volkspark, bij toeval op de Lindengracht belandde, klinkt aannemelijk. Evenzeer aannemelijk is echter dat, toen daar een opstootje met de politie uitbrak, deze ervaren straatvechters bij uitstek geneigd en in staat waren om de menigte verder aan te vuren." Allemaal te vinden hier op de site van Onvoltooid Verleden.

De socialistische beweging in Amsterdam en vooral De Jordaan had een geheel ander karakter dan de latere formeel-organisatorische SDAP. De vertegenwoordigers van deze SDAP, die de geschiedenis schreven van de beweging van vóór 1894, begrepen de volkse, buurtverenigingsachtige kenmerken niet of wilden ze niet begrijpen. De samenstellers van de tentoonstelling hebben dit eenvoudig overgenomen.

Er is nog een uitweg: in het boek dat de tentoonstelling begeleidt, kunnen de schrijvers, hoogleraar Henri Beunders en journaliste Marcella van der Weg, het recente bewijs uit 2001 wel meegenomen hebben.
Wordt dus vervolgd!

Marten Buschman

Blog 10, 6 januari 2011

De sfinx op de rots

Het is al weer een hele tijd geleden dat ik bij de grootste tweede hands boekwinkel van Nederland een boekje kocht met deze titel. De auteur, Bastiaan Bommeljé, behandelde de plaats van de geschiedschrijving in de samenleving, en de grote problemen waar die in 1987 tegenaan liep. Eén opmerking uit het boek bleef lange tijd in mijn hoofd rondzwerven: “Toch blijft er een kriegelig gevoel van ontevredenheid bij de steeds verder gaande specialisatie, de zoveelste geleerde detailstudie, de protectionistische wijze waarop men elkaar beoordeelt en het tekort aan vernieuwende samenvattende werken.”

Was het zo slecht met het vak gesteld? Over het protectionisme kan ik niet goed oordelen hoewel het feit dat tijdschriften meestal niet dubbel blind werken gevestigde auteurs natuurlijk een voorsprong geeft; wie durft als redactielid immers een artikel van een hotemetoot af te wijzen? Het gebrek aan samenvattende werken is me vooral opgevallen bij de stadgeschiedenissen die onlangs zijn verschenen en waarvan de meeste een aaneenrijging van losstaande artikelen zijn. Maar daar wil het nu niet over hebben. Het gaat me hier om de inhoud van de geschiedschrijving.

Eigenlijk was ik midden jaren negentig al jaren het vak uit, maar de geschiedenis als academische discipline intrigeerde me nog steeds mateloos.

Sjaak op het Rotterdamse steiger

Al die jaren, of ik nu op het steiger stond of achter de bar, bleef ik historische boeken lezen en zette ik het werk aan mijn databestand ‘stakingen in Nederland’ voort. Dat was toen trouwens nog een stalen bak met kartonnen systeemkaarten. Het schrijven aan mijn proefschrift gebeurde in tamelijke anonimiteit. Ik las veel van wat er op het gebied van stakingen was gepubliceerd in de jaren tussen 1980 en 2000 en probeerde zo mijn opgelopen achterstand in te halen. Het boek werd goedgekeurd door een commissie van wijze mannen en ik besloot het steiger vaarwel te zeggen.

Groot was mijn verrassing toen ik mijn nieuwe beroepsgenoten op het IISG hoorde praten. Ik wist dat ze mij met mijn onderzoek naar stakingen eigenlijk maar een anomalie vonden. Leuk dat ik het had gedaan maar mijn invalshoek was toch wel erg gedateerd. Na mijn eerste vergadering met vakgenoten was snel duidelijk wat ik gemist had. De linguistic turn, hoe kon ik die nou hebben misgelopen. En waarom begreep ik niet dat alles om living strategy en life course draaide? Had ik dan onder een tegel geleefd al die jaren?

Nee, dat niet. Ik stond midden in de samenleving maar was niet op de hoogte van de laatste finesses van het internationale discours over de sociale geschiedenis. Logisch toch dat in een tijd dat het neoliberalisme de wereld overstroomde ook historici daar niet immuun voor waren? Toen de arbeidersstrijd in de jaren zeventig opleefde volgden wij die ook, nu was het de beurt aan de protagonisten van het ultieme individualisme. Daar kwam nog iets bij. Omdat alles in de boze buitenwereld draait om economische modellen en harde natuurwetenschap konden historici natuurlijk niet achterblijven. Weten om het weten is in de moderne sociale geschiedenis niet meer voldoende. Een bijdrage moet in een lopend discours passen en verwijzen naar de laatste snufjes op dat gebied. Zo kreeg ik al snel het proefschrift van Henk Wals in handen over een onderwerp waar al een eeuw over wordt geschreven. De jonge doctor wist daar echter niet veel van, maar wel citeerde hij vrolijk de recente internationale literatuur. Dat deze nauwelijks of geen nieuwe inzichten opleverde, en alles wat hij ontdekte in ons eigen taalgebied al honderd jaar geleden bekend was, deed er niet toe. De auteur paste goed in het discours en daar gaat het blijkbaar om.

Plots herinnerde ik me een aanvaring die ik in mijn studietijd (we schrijven 1972) eens had gehad met de bekende mediëvist H.P.H. Jansen. In een enkel zinnetje probeerde hij me duidelijk te maken dat het belangrijkste wapen van de historicus vakmanschap is. Hij schreef me naar aanleiding van een eindeloze filosofische exercitie van mijn hand over het Germaans Koningschap: 'als praktische historicus kan ik hier niets mee'. En zo is het natuurlijk ook, moet ik nu tot mijn schande bekennen. Primair staat de kennis en kunde om met bronnen om te gaan, alles daar omheen is afgeleid en dus secundair.

Wij waren toen jonge honden die het allemaal beter wisten. Voor een studie in Dienst van het Volk en dat dan ook nog volgens de modernste methoden en technieken. De studie voor het volk hebben we gekregen; alles in de wetenschap wordt nu als het even kan getoetst op praktisch nut. Niet meer weten om het weten, maar 'wat kejje d'r mee?', is het devies. In de praktijk is dat natuurlijk niet voor de bevrijding van de arbeiders zoals wij naďef eisten, maar voor de winstvergroting van de economie en het grootkapitaal.

Bij geschiedenis is dat uiteraard niet zo eenvoudig aantoonbaar als bij vakken als farmacie waar Big Pharma het veld beheerst, maar de teneur is hetzelfde. Probeer altijd het maatschappelijk nut aan te tonen van je onderzoek! Moderne methoden en technieken hebben ook ruim ingang gevonden. Modellenbouw en hoogstaande statistische technieken hebben hun weg gevonden naar de historicus. En dat alles in navolging van sociologen maar nog meer van economen, want die kunnen dat zo goed. Dat economische modellen aantoonbaar niet werken en dat economen er de afgelopen jaren met hun neoliberale gedachtegoed een potje van hebben gemaakt, dat konden we toen misschien nog niet weten. Nu kunnen we wel beter weten. De economen hebben echter de draad al weer opgepakt alsof er geen economische crisis is geweest en dat belooft weinig goed voor de toekomst.

In de sociale geschiedenis verschijnt vrijwel niets meer zonder dat het eerst is getoetst op de vraag of het past in een lopend discours en als het even kan moet het ook nog worden uitgevoerd met de laatste technische snufjes. De vraag is natuurlijk of dit ons inzicht in menselijk gedrag echt veel verder helpt. Natuurlijk is er geen enkel bezwaar tegen om te leren van de gedachten van anderen of beweringen statistisch te testen, maar ik vraag me wel eens af of al die rimram het gevraagde inzicht echt verder heeft geholpen. Menselijk gedrag werd in de kern al zeer uitmuntend beschreven door de Griekse filosofen, door kerkvader Augustinus, door Erasmus. Natuurlijk schreven zij niet concreet over de reacties van mensen op voetbalgeweld of de verlaging van werkloosheidsuitkeringen. Van hun diepgaand inzicht in de menselijke psyche kunnen we echter nog steeds veel leren bij het zoeken naar een antwoord op die vraag.

De menselijke psyche is iets anders dan de natuur. Natuurwetenschappers maken gebruik van zeer hoogstaande methoden en technieken, maar of dat voor een vak als geschiedenis een vereiste moet zijn? Bij hun is het zo dat als een pingpongballetje spontaan besluit omhoog te gaan, weg van het middelpunt van de aarde, de hele klassieke mechanica omvalt. Bij sociaal wetenschappers die prachtige modellen bouwen over menselijk gedrag is het toch niet zo dat de eerste de beste Rooms Katholieke geestelijke die zijn handen niet in de broek van een jongetje doet, alle theorieën over de oorsprong van kindermisbruik teniet doet?

Waarom zijn de bekendste historici toch juist de mensen die schrijven voor een groot publiek? Om vervolgens onder beroepsgenoten meewarig te worden bekeken. Wee de niet-vakgenoot die zich waagt op het terrein van de geschiedschrijving. Zijn of haar werk wordt met meer dan gewone kritiek overladen en afgeserveerd. Waar haalt hij het lef vandaan om zich met Clio te bemoeien? Heeft zij niet op pagina X een voetnoot van de hooggeleerde collega Y verkeerd geciteerd? Maar ook de vakgenoot die te vaak te zien is in de populaire media moet uitkijken, want jaloezie en oprechte angst voor de teloorgang van zijn of haar wetenschappelijke betrouwbaarheid maken hem verdacht.

G. Groen van Prinsterer

Waren de voorgangers van de huidige generatie historici echter niet ook mensen die voor het grote publiek schreven? Jan Romein, Huizinga, maar ook iemand als Wesseling vonden hun weg naar het grote publiek met speels gemak. Hun boeken werden verslonden en ze konden schrijven. Maakt dat ze minder? Of zijn wij tegenwoordig wel erg overmoedig met onze discoursen en methoden en technieken? Uiteraard is er op die vroegere veelschrijvers ook kritiek mogelijk. Vaak waren ze nogal overtuigd van een bepaald denkbeeld dat ze overal in de geschiedenis terug zagen. Groen van Prinsterer zag overal de hand van zijn god in, Geyl zocht het stamverband en Romein was op zoek naar de gronden voor een proletarische revolutie. Wat ze echter sympathiek maakt is het feit dat ze met hun kwaliteiten in de hand kans zagen om over uiteenlopende onderwerpen hun licht te laten schijnen. Ze beperkten zich niet tot hun ene specificatie die uit den treure werd uitgemolken.Misschien moet er toch maar weer eens een linguistic turn plaatsvinden, maar dan een andere.

Terug naar algemene historici die met hun vakmanschap in de hand hun taalvermogen gebruiken om het inzicht in menselijk reilen, zeilen en drijfveren te belichten. De schrijver van de Sfinx op de rots die het vak genadeloos afkraakte, is trouwens goed terecht gekomen. Hij is tegenwoordig hoofdredacteur van het Hollands Maandblad en mag zijn schrijfsels ook kwijt in de Maarten!

Sjaak van der Velden

Blog 9, 25 oktober 2010

Zonder ADHD geen communistische grappen!?

Mooie communistische grappen, maar zijn ze nu specifiek voor die vreselijke tijd van 1917 tot 1989?  De schrijver van Hammer & Tickle Ben Lewis komt eigenlijk tot de conclusie dat die grappen niet specifiek voor het communisme zijn, maar voor elk totalitair systeem. Zo heeft die leuke grap over die schapen die op de vlucht zijn voor de KGB een analoge uit Perzië in de twaalfde eeuw. Maar daar zijn het vossen die aan de grens staan op de vlucht voor een campagne van de Perzische Geheime Dienst om ezels te pakken.

Ik schreef zojuist ‘eigenlijk’ omdat hij ook een beetje de deur openlaat voor een interpretatie van het bijzondere karakter van de communistische grap: ‘its greatest cultural achievement’. Van het Russische Communisme wel te verstaan. En hij verklaart die specificiteit vanwege de inefficiënte theorie, de leugenpropaganda en de censuur. En dat de grappen misschien wel iets geholpen hebben aan de ondergang van het systeem, maar niet veel.

Een beetje slappe conclusie, vind ik. Laten we zijn beweringen eens nader bekijken. En dan verbreden we de aandacht. In een goed leesbare bundel Humour and Social Protest, onder redactie van Marjolein 't Hart en Dennis Bos en ongeveer tegelijk met Hammer & Tickle gepubliceerd, kijken de schrijvers naar de rol van humor in sociale bewegingen. Je kan het zo gek niet bedenken of het komt aan de orde: alle soorten bewegingen, veel tijdperken en mondiaal. En dan komen de communistische grappen ook aan bod. Christie Davies beschouwt de grappen als de uitingen van de machtelozen tegenover de machthebbers. Maar ook als het topje van de ijsberg van het ongenoegen, de rest is verborgen.

Een van de opmerkelijkste omissies in het artikel over communistische grappen van Christie Davies is het niet noemen van het communisme in China. Lewis weidt er wel een passage aan en zegt eigenlijk dat Chinezen wel humor hebben maar geen kritische grappen hebben of vertellen over de dictatuur van het proletariaat: ' … neither they nor the Vietnamese and Cambodians appear to have expressed their experiences of communism this way.' Maar in de bundel Humour and Social Protest noemt niemand het woord China als het gaat om humor als protest. Snelle conclusie is dus dat in China geen communstische grappen bestaan zoals in Sovjet-landen.

Een verklaring voor het ontbreken van Chinese grappen is toch wel nodig. Gelukkig las ik tezelfdertijd het boek van Harry Harpending en Gregory Cochran over 10.000 jaar menselijke evolutie: The 10,000 year explosion. En daar komt China wel in voor en zelfs wat uitgebreider. In een van de passages (p. 112) over China gaat het over het voorkomen van ADHD in de wereld. Een verschijnsel dat vooral vervelend is voor degenen die eronder lijden en ook voor hun onderwijzeressen. Vraag is dan waarom het zo vaak voorkomt: het moet dus een ook een positieve kant kennen anders was het in de evolutie al lang weggezuiverd.

ADHD heeft volgens Cochran en Harpending in het westen een rol gespeeld bij het opgang brengen van het kapitalisme: enorme energie met grote risico's voor nieuwe bedrijven, nieuwe ideeën tegen de heersende machten in. Mensen met zo'n 'ADHD-gen' (in vaktermen het 7R allel van het DRD4-gen) waren succesvol. In China heeft dat 'gen' ook toegeslagen, maar in de huidige tijd bestaat er slechts een gemuteerde en afgezwakte versie. Zou dat misschien een verklaring kunnen zijn? Hyper-activiteit is nodig om tegen de traditie in de moderne samenleving op gang te krijgen. In Europa bleef het gen actief, in China muteerde het verder na vier duizend jaar Keizerrijk tot een aangepaste, onschuldige versie. Harde grappen versus onkritische flauwe opmerkingen. Op de OV-bladzijde van Facebook beschrijft Loek Hopstaken voorbeelden over zo'n sfeer in Vietnam: geen grappen mogelijk over oom Ho, maar die worden ook nauwelijks gemaakt. Een foto van Ho als Boeddha-beeld mocht niet genomen worden. Ik heb lang op internet gezocht, iemand moet een keer een foto hebben gemaakt, maar ik heb niets gevonden.

Voor een verklaring is meer onderzoek nodig: hangen hyperactiviteit en (anti-)communistische humor samen? Is dit dan toch een begin van een verklaring?

Marten Buschman

Blog 8, 21 juni 2010

Lachen om communisme

Toen Jolande Withuis op de presentatie van de biografie van mederedactielid Arno Bornebroek over de man met de bewust gewilde dubbele naam (Teengs Gerritsen) een onverwacht scherpe uitval deed naar haar voormalige partijgenoot Joop Wolff schoot ik in de lach. Immers: ik ken van die Wolff maar één ding en dat is een grap. Wolff zit in de trein in de eerste klasse op weg van Amsterdam naar Den Haag. Onderweg tussen Haarlem en Leiden komt er een partijgenoot langs, ziet hem zitten en zegt waarom zit jij niet in de tweede klas, zoals alle kameraden. Niets is goed genoeg voor de arbeidende klasse, zegt Wolff dan. Zo'n grap heeft een groot recycling gehalte, want vrijwel letterlijk bestaan ze ook over Lenin, Stalin, Brenzjnev en waarschijnlijk vele nationale communistische helden elders in de wereld.

Een typische communistische grap, waarvan er honderden langskomen in het boek van Ben Lewis Hammer and Tickle uit 2008. Het leest als een herkenning uit de jaren zeventig, toen in de studentenkringen ook veel van dit soort grappen langskwamen, zoals die ik van een vergeten medestudent hoorde:
"Er is een Koekoeks-Lenin prijsvraag uitgeschreven. Er waren vele inzendingen. De jury was verdeeld over de tweede en derde prijs.
De derde prijs is een koekoeksklok met een koekoek die op het hele uur uit zijn hok kwam en riep 'Lenin, Lenin!!'.
De tweede prijs dezelfde klok. maar dan met de uitroep 'Lenin leeft, Lenin leeft!'
Maar voor de eerste prijs was de jury eenstemmig en heel positief: uit de klok kwam een Lenin-figuurtje die 'koekoek, koekoek' riep."

Wat maakt die grappen nou zo leuk. Als student maakten we allemaal mooie sier met linkse, marxistische wetenschap, maar de communistische praktijk vonden we maar niets. En zeker niet die Nederlandse variant van die communisten, de CPN, waar Jolande Withuis een tijd lid van was. Die waren toch wel een beetje te serieus. En zij konden deze grap niet waarderen. Geen enkele kritische grap overigens. Dat was voorbehouden aan dat uiterst linkse en kleine groepje studenten.

Een ander grap, die ik voor het eerst hoorde:
"Er komt een troep getraumatiseerde, bevende schapen aan de Russische grens met Finland.
Wat komen jullie doen, vraagt een verbouwereerde grenswacht.
We willen naar Finland.
Ja, maar waarom dan?
Dan zegt de schapenleider: 'de KGB voert campagne tegen olifanten'.
’Olifanten, maar jullie zijn schapen’, zegt de grenswacht.
’Nou, vertel dat maar aan de KGB.’"
De werkelijkheid achter die grap is natuurlijk niet zo leuk. Die KGB en NKVD-acties waren berucht omdat ze onvoorspelbaar, stupide en vooral meedogenloos waren.

Voorbehouden aan uiterst links. Voorbehouden? Welneen, uiterst rechts vond het ook aardig. En uitgerekend Ronald Reagan maakte er mooie sier mee. Hij verzamelde ze allemaal en maakte er in zijn speeches gebruik van. Behalve dat hij de Sovjet Unie het Evil Empire noemde en Gorbatsjov vroeg om de Berlijns muur te slechten zien we hem ook vrolijk grinniken over allerlei grappen. In Hammer and Tickle vermeldt Ben Lewis er velen. Het is leuker om Reagan te zien. Bijvoorbeeld deze over de lange duur van bestellingen en andere grappen.

Maar hoe de grappen te duiden? Daarover een volgende keer.

Marten Buschman (met dank aan Josse)

Blog 7, 6 april 2010

Een Vergeten Hoofdstuk

Amsterdam en Den Haag hebben een aanzuigende werking voor nieuwe ideeën, organisaties en instellingen. In beide steden zijn dan ook instellingen als de Eerste Nederlandse Montessori School gevestigd en beiden hebben hun naam gegeven aan schilder-, gym- en architectuurstijlen.

Des te vreemder dat een van de laatste ontwikkelingen in beide boeken ontbreken: het internet. Bij het einde van de twintigste eeuw is een belangrijk onderdeel gemist, mogelijk vanwege de te korte afstand tot het gebeurde of gewoon dat ze het rond 2000 niet als een wereldschokkend verschijnsel beschouwden. Evenals op het einde van de negentiende eeuw Domela Nieuwenhuis de notabelen met de feiten moest confronteren door zijn pamflettistische Een vergeten hoofdstuk. Zo is het nodig de voor de huidige schrijvers onbekende of in ieder geval voor hen niet-relevante ontwikkelingen van het internet te beschrijven.

Nederland, Amsterdam en ook Den Haag hebben een belangrijke rol gespeeld in het begin van internet. En de Amsterdam Internet Exchange (AMSIX) speelt nog steeds een bijzondere rol in de wereld. Opgericht in 1991 voor de hoge snelheidsverbinding van het CERN in Genčve met Amsterdam (onderzoek in nucleaire natuurkunde) en ook met de nationale infrastructuur van de universiteiten in Nederland (Surfnet). Tot dan spoedde een Amsterdamse medewerker zich elk weekend naar Genčve om gegevens uit te wisselen. Dat lijkt in het begin een leuk uitstapje, maar dat begon na een tijdje behoorlijk te vervelen. Op dat moment was Surfnet al een decennium verbonden met andere netwerken van Universiteiten in Europa en de VS, het ARPNET.

Mondiaal gezien is de AMSIX is de derde in grootte na New York en Londen en een bijzondere in de wereld van de Internet Exchangen: het is een vereniging van deelnemende ISP-en is en vooral een non-profit organisatie. Dat is uniek in de wereld van internet en dát heeft te maken met het karakter van Amsterdam. En de aanwezigheid van de AMSIX is vaak genoemd als een van de belangrijke factoren waarom een internet-organisatie graag in de Amsterdamse regio een bedrijf wil vestigen, naast het multiculturele en hoogopgeleide karakter van de bevolking. Hoewel er maar een tiental mensen werken, is het AMSIX dermate van belang dat in de PR van de stad eind jaren negentig geadverteerd werd met ‘hier komt internet boven’. Niets is minder waar, immers de AMSIX handelt het lokale verkeer zeer efficiënt af, waarbij lokaal Europa is. Vanwege de democratische en technische hoogwaardige structuur zijn vele bedrijven uit Europa aangesloten. Het komt voort uit die vrijbuiterige manier van werken, Amsterdammers eigen.

Een paar andere fenomenen, die genoemd moeten worden, waren de eerste Nederlandse publieke internetprovider XS4ALL en De Digitale Stad,  een mondiale sensatie in 1994.

Plattegrond van de DDS

Beiden ontstonden in Amsterdam. Den Haag had de tweede provider Bart Internet Services. Op 1 mei 1993 begon XS4ALL. Even later, op 15 januari 1994 volgde De Digitale Stad Amsterdam (DDS). In deze virtuele stad kon je huizen bouwen, wonen en chatten. Deze DDS gebruikte servers waar je met je modem vanuit heel Nederland naar toe kon bellen (interlokaal tarief dus). Het mooie van DDS was dat het geheel gratis was en vanaf het begin een postbus ter beschikking stelde waarmee je kon e-mailen. Email in 1994? Ja, hoewel iedereen het uitsprak als emaije, glazuur. Deze Digitale Stad is gearchiveerd en een van de oprichters Marleen Stikker is nog steeds actief, nu in de stichting De Waag, een typisch Amsterdamse organisatie.

Nederland en beide besproken steden lagen voorop in Europa. Vele bezoekers uit geheel Europa kwamen dan ook af op deze supermoderne ontwikkelingen. Het was de aanzet tot een geheel nieuwe bedrijfstak, die vooral in Amsterdam neerstreek: software en webontwikkelaars.

Overigens is er wel een typerend verschil tussen Den Haag en Amsterdam. Kleine bedrijven in Amsterdam werden groot (Xs4all}, in Den Haag verhuisden ze al snel en werden ze op- en overgenomen (Bart door Vianetworks en later Claranet). Dat had te maken met de goede en minder goede huisvesting voor kleine bedrijven in de jaren negentig en de onderlinge samenwerking en onderlinge concurrentie, maar ook met de structuur van het bedrijfsleven, ZZP-ers versus grote telecombedrijven. Amsterdam versus Den Haag.

Een gemiste kans eigenlijk. Internet kent geen grenzen, geen verschillen. Je speelt er met een avatar in een tweede leven of science fiction in EVA, maar vooral met internet kwamen de gelovers in de toekomst weer terug. Zoals Pieter Lodewijk Tak dacht dat de twintigste eeuw de eeuw van de elektriciteit en het socialisme zou worden, zo denken de huidige internet goeroes dat door internet en bijvoorbeeld de wikipedia’s iedereen nu echt gelijk wordt. Een mooie parallel, die niet getrokken is.

Marten Buschman

P.S.(31/10.2012): Egbert Zijlema maakte me attent op het feit dat in Groningen echt de allereerste aansluiting op nieuwsgroepen en e-mail plaatsvond. Zie zijn artikel.

Blog 6, 12 maart 2010

Troelstra zweeft over de pagina’s van Hagens’ biografie

Open brief aan Piet Hagen

Beste Piet,

Laat ik beginnen met een citaat: ”De ene helft is gelogen en de andere helft is ook niet waar.” Dat schreef ik een twintig jaar geleden in het blad Socialisme en Democratie over de memoires van Troelstra. Ik nuanceerde dat meteen weer door het tweemaal dertig te laten zijn, maar ik vond het achteraf toch wat overdreven gesteld. Gelukkig heeft maar één persoon het stuk geciteerd en dat was voor het blad van de trotskistische beweging, maar ja dat leest niemand. Gelukkig citeer jij het niet. Zodat niet elke Nederlander het leest. Je had het wel kunnen doen, want het was een reactie op het stuk van Van der Zwan en dat komt wel in je literatuurlijst voor.

Na lezing van je biografie denk ik echter dat ik voor zowel de memoires en je boek de percentages ga opvoeren en verhogen. Laat ik die boude bewering eens toelichten en beginnen met kwalificaties over bronnen, wetenschappelijke discussie en je visie op Troelstra.

Eén van de vreemdste opmerkingen in de inleiding is dat je schrijft dat de lezer zelf kan oordelen naar aanleiding van de voorstelling van zaken van je als schrijver. En dan gaat het mij vooral om zaken die te maken hebben met beschrijving van politieke gebeurtenissen, zoals de oprichting van de SDAP, de affaire Vliegen, de beschrijving van de spoorwegstakingen, het Haagse congres waar Troelstra geen hoofdredacteur wordt, de mislukte coup tegen Troelstra na de grote verkiezingsoverwinning en de mislukte vredesconferentie of in het jargon 1894, 1899, 1903, 1905, 1913 en 1917.
In alle gevallen vind ik dat je eigenlijk niet meer doet dan de Gedenkschriften overschrijven met hier en daar een extraatje. Er had meer ingezeten. Laat ik dan eens toelichten met drie voorbeelden.

a.
In de herfst van 1899 vertrekt de feitelijke hoofdredacteur van De Sociaaldemokraat Vliegen ineens naar Frankrijk. Een aantal jaren later is hij weer terug. Daar is lang in de wetenschappelijke historische wereld over gezwegen, maar de afgelopen jaren is het duidelijk geworden dat Vliegen met de vrouw van partijgenoot Poutsma naar bed is geweest en dat deze wraak zocht door Vliegen via de partij te straffen. Dat gebeurde. En dat is vreemd. De meerderheid van het Partijbestuur stuurde hem weg: de geschokte ex-dominee Melchers, Helsdingen (die Vliegen waarschijnlijk als indringer in Rotterdam zag) en Troelstra vormden een kongsi om Vliegen weg te sturen. Je pleit Troelstra daarvan vrij. Dat mag natuurlijk. Albarda deed jaren na datum de suggestie dat Troelstra deze affaire gebruikt om Vliegen weg te sturen. Dat vind je niet geloofwaardig.
Maar laat ik je dan eens meenemen in het archief van het Partijbestuur. Twee jaar eerder is er gedoe (over eigengereid handelen van Troelstra: hij schrijft altijd over ‘wij’!! en die wij was in ieder geval niet de redactie of het PB) over het hoofdredacteurschap van Troelstra. Na lange discussie is de afspraak dat Vliegen feitelijk hoofdredacteur zal zijn, maar dat Troelstra officieel, in naam dus, hoofdredacteur blijft. Bovendien was Vliegen partijvoorzitter op dat moment. Troelstra stond op het tweede plan. Twee jaar later grijpt Troelstra zijn kans. Als de escapade van Vliegen bekend is, bewerkt Troelstra de andere PB-ers en vooral Melchers (en dat weten we uit correspondentie met het PB, brief Melchers, waarop een ieder zijn opmerkingen heeft gezet, een soort e-mail dus) zodat Vliegen weggestuurd wordt. Nu kan je natuurlijk zeggen dat je deze onderdelen van het PB-archief niet gezien hebt. Dat kan. Maar deze affaire is ook neergeslagen in artikelen in het BNA (Bulletin Nederlandse Arbeidersbeweging). En die heb je links laten liggen: Henny Buiting heeft als eerste de bron ontdekt en één van die artikelen heb ik zelf geschreven en doe onafhankelijk van Albarda dezelfde suggestie. Ik weet het twee tegen één ….. Maar belangrijker in de wetenschap is dat in de uiteenzetting de vooruitgang moet blijken, maar jij gaat deze discussie uit de weg. Of erger nog, je hebt het niet gezien.

b.
Een ander voorbeeld is 1905. Het algemene beeld is dat Troelstra door die vervelende marxisten uit de redactie is gewerkt. Of liever dat zij Troelstra niet in de redactie hebben gewild en de gematigde Tak hebben gekozen in plaats van hčm, Troelstra, dé grote revolutionair. De schuld wordt naar de linkse marxisten als Gorter geschoven. Ook hier staat in de bronnen iets anders. Het is een lang verhaal maar het komt er op neer dat in het Partijbestuur tweemaal (en ook nog een keer met de redactie van De Nieuwe Tijd erbij) een discussie is geweest over Troelstra’s hoofdredacteurschap.
Aan de vooravond van het congres kwam het partijbestuur nogmaals bijeen om de zaak van hoofdredacteur te bespreken. Een voorstel dat het partijbestuur advies ten gunste van Troelstra zou geven werd verworpen bij staking der stemmen. Een bezwaar bleek Troelstra’s houding tegenover de vakbeweging te zijn, met name Henri Polak en Hendrik Spiekman maakten bezwaren. Op voorwaarde dat die houding veranderd zou worden ging de meerderheid alsnog akkoord om Troelstra voor te dragen. De voorzitter van het partijbestuur, Henri Polak, deed echter géén mededeling van dit feit op het congres! En toen werd Tak herkozen. Want het leek een vrije kwestie. Dat Troelstra kwaad werd was dus niet alleen omdat ie niet gekozen was, maar vooral omdat Polak hem niet voordroeg ondanks gemaakte afspraken. En dat Polak dat niet deed, was natuurlijk oud zeer.
Als je jouw boek leest over deze affaire denk je ‘waarom is die Troelstra nou zo kwaad’, het is toch all in the game winnen of verliezen. Dat, zoals Troelstra, zie je tegenwoordig toch ook niet bij al die verkiezingen voor lijsttrekkers, bijvoorbeeld tussen Mark Rutte en Rita Verdonk?  Maar jij doet alsof het heel normaal is, dat kwaad worden. En wat schrijft de biograaf van Polak: het is niet toevallig dat de ruzie uitbreekt nadat Polak aftrad als voorzitter. Inderdaad.

Kortom: een ander verhaal dan in de gedenkschriften, in de literatuur en in dit boek staat. Voor het oordeel van de lezer is het natuurlijk niet handig dat deze nuancering ontbreekt.

c.
Spoorwegstakingen: daar kan ik kort over zijn. Rüter schrijft dat ‘wat nu?’ wel een moedig stuk is maar dat het tegelijkertijd onhandig is of in de harde woorden van Rüter: ‘Hoezeer de waarschuwing zelf te waarderen valt, de wijze waarop en de plaats waar Troelstra haar gaf, zijn dat niet.” Het eerste noem je wel, maar die twee andere kwalificaties in afgezwakte vorm: Troelstra verzuimde overleg met zijn medebestuurders, schrijf je, maar het ging natuurlijk niet alleen om SDAP-ers maar om het Comité van Verweer. Zo breng je de wetenschap niet echt verder.
 

Dit zijn drie voorbeelden waaruit je oppervlakkige beschrijving blijkt. Beschrijving, ja, maar het gaat natuurlijk om de analyse van Troelstra’s werken in de SDAP. Bij je beschrijving heb ik steeds het gevoel dat Troelstra over de regels en bladzijden heen zweeft maar dat je hem als lezer nooit te pakken krijgt. En dat komt onder andere doordat je nooit de details geeft en nooit je afvraagt waarom? Niet alleen in deze drie voorbeelden raak ik nooit echt geinvolveerd vanwege dat afstandelijke. Dat is ook precies waarom ik de Gedenkschriften een mislukking vind. Als een soort Caesar schrijft Troelstra over een ander persoon, lijkt wel.

Keer op keer blijkt naar mijn idee dat Troelstra al zijn energie inzet om zelf weer op het eerste plan te komen, en telkens weer in de dagelijkse gang van zaken – ook door lange herstelperiodes – het onderspit delft. Marxisten als Gorter gingen frontaal en openlijk de strijd aan en verloren en mensen als Vliegen deden het slimmer, ondanks het feit dat Vliegen toch wat tegen Troelstra gehad moet hebben.

En dan het nawoord.
Dan val je weer terug op de Gedenkschriften. Je schrijft dan op pagina 799 dat J. Saks een algemene kritiek heeft op de gedenkschriften:  bedoeld als zelfverheerlijking en en zelfverdediging en daarom per definitie onbetrouwbaar. Je geeft hem daarin eigenlijk wel een beetje gelijk (er zit ‘een kern van waarheid in’) maar je vermeldt de vele gedetailleerde kritiek van Saks niet. En dan geheel onlogisch zeg je dat die kritiek geen recht doet ‘aan het karakter van dit egodocument als samenstel van controleerbare feiten en persoonlijke visie’. Maar dat was nu juist de kritiek van Saks: dat je door die 'persoonlijke visie' het zicht op de feiten ontnomen wordt.

Ik denk dat je boek te veel leunt op de Gedenkschriften en te onkritisch is. Jammer vind ik dat je geen afsluitende analyse geeft van de persoon Troelstra. Personen gaan leven in de details, zeker als die een repeterende breuk zijn. Laat ik een voorschot nemen: Troelstra's gekrenkte trots levert veel energie op en als het doel behaald is stort hij in: manisch depressief? Of het lijkt wel of hij geen tweede vaderfiguur duldt of liever of hij alle conflicten met de partijgenoten als een tweede vaderconflict beschouwt. Dat zou ook de onuitstaanbare uiteenzettingen van, met en tegen Gorter verklaren, want die was wel altijd op zoek naar een vaderfiguur. Dat verklaart, denk ik, misschien wel de grote strijd tussen deze beide helden. En wellicht ook dat Troelstra vanwege het conflict met zijn vader socialist is geworden. Want je bent eigenlijk niet veel meer te weten gekomen over Troelstra’s besluit om socialist te worden dan wat er in de Gedenkschriften staat.

In stijl kan ik afsluiten met te zeggen dat die tweemaal dertig procent inderdaad verhoogd moeten worden naar tweemaal veertig procent, ook voor dit boek.

Maar ik wil afsluiten met een citaat van Henri van Kol over Troelstra en over 1918. Van Kol schrijft aan zijn bankier: … “die dreigementen van Mr. Troelstra [zijn] niet te tragisch op te nemen, het was een ‘misverstand’, een revolutie ‘bij improvisatie’. M.i. is hij, na de aanval van een paar jaar geleden niet meer ‘normaal’ te noemen. Ook te Stockholm deed hij vaak malle – en ditmaal – onverantwoordelijke dingen!!”  

Ik ben het eigenlijk wel met Van Kol eens.

Marten Buschman

Blog 5, 1 maart 2010

I. Israels, Café Chantant in de Nes

De mythe van de Amsterdamse biernomaden!

De hoofdstedelijke mores en mythes ademen één ding uit: hier in Amsterdam begint het! Zo reageerde een Amsterdamse vriendin verbaasd toen ik vertelde dat in Haarlem en Den Haag geen vrijmarkt bestond – het was begin jaren zeventig – met: ‘maar dat is toch overal in Nederland’. De realiteit is dat ze postuum gelijk heeft gekregen. Begonnen begin jaren vijftig is het na de troonsbestijging van Beatrix een landelijk festijn geworden met  - nog steeds – Amsterdam als centrum.

Terug naar de hoofd- en hofstad, in 1890 ditmaal. Nederland kruipt uit het economische dal en in het laatste decennium breekt de zon door. Het eerst en het best in Amsterdam: ‘in het voetspoor van de radicalen’ is de veelzeggende titel van het laatste hoofdstuk over de negentiende eeuw van het Amsterdamse boek. Het verhaal – dat in grote lijnen bekend is – wordt met veel verve verteld. Was voor 1890 het Centraal Station gebouwd, het Noordzeekanaal aangelegd, nieuwe bedrijven gesticht en culturele saaiheid verdrongen door de jongelui van De Nieuwe Gids, na 1890 komen met veel geraas de biernomaden als Wim Treub en Carel Gerritsen de gemeenteraad binnen. Biernomaden: De Rooij heeft deze term geďntroduceerd voor de groep intellectuelen, politici in spe en literaire jongeren als Kloos, die in de woorden van één van hen 'Nederland wilden opstoten in de vaart der volkeren'. Ze trokken al pratend over het nieuwe Amsterdam en Nederland door de vele nieuwe bierlokalen in het centrum van de hoofdstad.

De politieke groep rond Treub zorgde er voor dat Amsterdam in snelle tijd politiek moderniseert: sociale verhoudingen binnen het gemeentepersoneel, allerlei vormen van toezicht en inspectie en het naasten van voorzieningen als gas, watervoorziening en tram, die daardoor goedkoper werden en meer kwaliteit verkregen. Maar vooral de concessiestrijd over de telefoon sprak en spreekt nog steeds tot de verbeelding: ondernemers die de net boven grachten aangelegde telefoonlijnen doorsnijden met messen aan de top van de mast. Het is in Amsterdam het begin van de linkse politiek: radicalen, sociaal-democraten, communisten, pacifisten eigenlijk ook de anarchistische provo’s en kabouters zijn schatplichtig aan de eersten, de biernomaden.  

In de Haagse geschiedenis en geschiedschrijving niets van al die fraaie biernomaden, radicalen en indianenverhalen. Maar wel zijn al de moderniseringen, zoals boven genoemd, doorgevoerd vrijwel gelijktijdig met de Amsterdamse, zoals ik merkte bij de voorbereidingen van een voordracht in het kader van de Millenniumdoelstellingen in Den Haag en Juigalpa. Maar in tegenstelling tot het Amsterdamse verhaal is er geen politiek kabaal. En worden de verbeteringen voorgesteld als iets heel natuurlijks: in 1890 was er al de moderne Dienst Gemeentewerken met de aanleg van de riolering, onderwijs werd uitgebreid: de Jordanees en onderwijsvernieuwer Jan Ligthart werkte er vanaf 1885. Net alsof die moderniseringen geen politiek issue zijn. Ook invloed van die biernomaden is niet te vinden.

Een vreemde tegenstelling tussen de hoofd- en hofstad. Amsterdam als het voorlijke broertje van Den Haag. Verbreden we onze blik naar de geschiedenis van andere steden in dezelfde periode dan blijkt de tegenstelling anders te liggen. In steden als Rotterdam, Schiedam, Utrecht en Den Bosch zijn de biernomaden niet te vinden en zien we dezelfde moderniseringen op dezelfde wijze ingevoerd als in Den Haag: als een natuurverschijnsel. Ook verre inspiratie uit Amsterdam is nergens aanwezig.  Verzakelijking en democratisering is de term voor deze periode voor de geschiedschrijvers van vermelde steden. En dat is ook de conclusie van de Amsterdamse schrijvers: deze politiek had geen wortel geschoten in andere steden of in het land als geheel, maar toch besluiten ze een beetje tegendraads:
’Amsterdam beschouwde zichzelf als de belangrijkste stad van het land en dat niet zonder reden.’

Neen, de biernomaden zijn een Amsterdamse mythe. In het gehele land streek het kapitaal neer. In elke stad op een andere manier, dus de biernomaden hebben wel een Amsterdamse rol gespeeld en niet meer dan dat! En waar zouden ze ook prat op gaan als pas in 1989 de binnenstad in zijn geheel aangesloten is op het riool. Tot dan had het grootste deel van de grachtengordel gewoon op de grachten geloosd.

Marten Buschman

Blog 4, 19 april 2009

Revolutie in Holland, deel twee: negentienhonderd en drie

Het beeld van de spoorwegstakingen in 1903 heeft lange tijd over Nederland gezweefd. In het jaar 2003, honderd jaar na dato, niet meer. Toch heeft ‘1903’ de richting bepaald aan het ontstaan van de moderne vakbeweging en de moderne overlegstructuur. De gebeurtenissen zelf (voor mijn beschrijving zie hier en voor een analyse hier) zijn bekend.

Den Haag en Amsterdam vormen de scharnierenpunten in de gebeurtenissen én tegelijk een tegenstelling: in Amsterdam begon in januari de solidariteitsstaking, die een overwinning was voor de stakers. In Den Haag eindigde de politieke staking in april met een overwinning van de regering en de  directeuren. De spontane solidariteitsstaking verraste iedereen, maar het werkte en het ging snel. Op 29 januari staakten de spoorwegarbeiders omdat zij gedwongen werden werk uit te voeren van stakers. Twee dagen later, vlak voordat het gehele land in staking zou gaan, gaf de directie onder druk van de overheid toe.

Onverklaarbaar is het dat de schrijvers uit Den Haag over de spoorwegstakingen helemaal niets te melden hebben. Des te meer de Amsterdamse geschiedschrijvers. Zij geven een fraai overzicht met de context (zowel van de structuur van de Amsterdamse nijverheid als van de Amsterdamse sociale beweging), maar met slechts één afbeelding van het Centraal Station op 9 april. Door deze plaatsing in beide contexten krijgen we inzicht in de beweegredenen van de stakers: de lastige stad Amsterdam in oproer. Grote stakingen en/of oproeren vormen een spoor door de negentiende en twintigste eeuw. Het lijkt daarom allemaal typisch Amsterdams. Wellicht een verdediging van het ontbreken van ‘1903’ in het Haage boek.

De aprilstaking was tot mislukken gedoemd. Het aanvankelijke enthousiasme van de stakers ebde weg. Bij hen klikte het onderling niet, de organisatie liet te wensen over en er was te weinig kennis en kunde om zo’n omvangrijke klus te klaren, of zoals fraai verwoord: “Uit de veugdevuren  der overwinning steeg dus ook meteen de walm per partijzucht op.” (p. 44). Bij hun tegenstanders, de rijksoverheid, in samenwerking met het staatspostbedrijf en Verwey & Lugard, importeur van auto’s. Zij wisten alles, hun organisatie klopte wel. De kopstukken kenden elkaar van het Haagse circuit of zoals we nu zouden het old boys netwerk. Het doelwit (politiek Den Haag, de spoorweg en de postbezorging) van de stakers was afdoende beschermd: een bastion van  regering, leger en postwezen. Bovendien had het leger een cordon om Den Haag gelegd.

Militairen bij kruising van spoorlijnen van Den Haag naar Leiden en Utrecht

De afloop van het verhaal en verschillende consequenties (o.a. dat het beter is om te overleggen) staan uiteraard in het Amsterdam boek. De vakbeweging in zijn dominante moderne vorm van het NVV begreep het snel, sterker nog het NVV is het gevolg van de 1903. De meerderheid van het bedrijfsleven begreep het ook snel. De overheid deed er langer over. Er loopt geen directe lijn van de ontwikkelingen van 1903 naar die van het huidige poldermodel, maar 1903 is wel een schakel en zeker niet de onbelangrijkste.

Marten Buschman

Blog 3, 22 maart 2009

Revolutie in Holland!

In de twintigste eeuw zijn er twee momenten geweest die aan een Hollandse Revolutie deden denken: 1918 en 1903. De spoorwegstakingen en de vergissing van Troelstra. Twee gebeurtenissen, die beide steden hebben beroerd. De eerste spoorwegstaking begon en eindigde in Amsterdam, terwijl de rest van het land meedeed. De revolutionaire beweging na de Eerste Wereldoorlog, vooral in de Tweede Kamer door Troelstra, werd in de kiem gesmoord door en in Den Haag, terwijl in Rotterdam en Amsterdam opstandige demonstraties plaats vonden.

Briefkaart naar het schilderij van J. Hoynck van Papendrecht, ten bate van het Nationaal Vredesfonds, z.j.

Het zijn beide prachtige anekdotes, die een boek verlevendigen en waaraan je analyses kunt vastknopen: in Amsterdam passen beide evenementen in de strijd om de hoofdstad, in Den Haag om de bestuurlijke kracht van de overheid en bewoners.

1918
Na de wapenstilstand (WO I) op 11 november en na de val en vlucht van de Duitse keizer en na de eerste revolutionaire acties en tegenacties in Duitsland, waren Nederlanders er niet gerust op dat de revolutie niet zou overslaan naar Nederland. In het najaar van 1918 was er in het gehele land al veel dreiging: honger, opstanden van militairen en betogingen. Het begon in Rotterdam, waar een bewogen Troelstra op een grote bijeenkomst van zijn partij zei, neen declameerde dat de arbeidende klasse klaarstond om de macht over te nemen. En hij herhaalde dat in de Tweede Kamer in Den Haag met de merkwaardige zinnen: ‘Uw vrienden zijn wij niet, wij zijn uw tegenstanders, wij zijn, als gij wilt, uw meest verbitterde vijanden.’ Niet gesteund door zijn eigen partijbonzen stortte hij in en moest later toegeven dat hij zich vergist had. Een drama, maar een revolutie was het niet, eerder een poging van hem om de echte revolutionairen de wind uit de zeilen te halen.

Want die revolutionairen deden wel wat en wel twee dagen later op 13 november hielden zij een grote manifestatie waar de oude Domela Nieuwenhuis, in een rolstoel, op een ovatie onthaald werd. Na die manifestatie trokken ze op naar de kazerne in de Sarphatistraat om een kameraad te bevrijden en tegelijkertijd soldatenraden op te richten. Het werd geen van beiden: ze werden weggejaagd door een kort salvo van de huzaren: vier doden en een aantal gewonden. David Wijnkoop en Henriëtte Roland Holst weten nog de boel bij elkaar te houden en vooral Henriëtte houdt een gloedvol betoog en gevoelt zich als de strijdster in revolutionair Nederland, zoals een jaar te voren in Rusland de arbeiders beschoten werden. De Hollandse werkelijkheid was rauwer, de stoet trekt naar het Beursplein, maar de volgende dag komen er slechts een handjevol mensen opdagen, zoals ook tijdens de Nieuwmarktrellen in maart 1975 de ene avond tienduizenden de Amsterdamse politiek bedreigden, de volgende dag niemand meer de moeite nam zijn huis uit te gaan.

Weg revolutie en Troelstra ligt ingestort ziek in bed. De Maastrichtse kameraden van nota bene de eigen SDAP wachtten tevergeefs op een teken van hun leider de macht te grijpen. Wie wel de macht grepen of eigenlijk hielden waren de vele ordebonden, de soldaten, de regering de vakbonden en de vele gewone burgers. En zowel in Den Haag en Amsterdam organiseerden de overwinnaars op de Hollandse Revolutie grootse manifestaties. Eerst op het Malieveld, een week later in Amsterdam. Met op het einde van de middag een door de soldaten en matrozen getrokken koets met Wilhelmina er in van het Stadhuis op de Dam naar het Centraal Station. ‘Amsterdam werd niet de hoofdstad van de Revolutie’, zoals de schrijvers constateren, ik denk een beetje met spijt. Het is de opmaat van de stadsgeschiedenis: van de ‘Amsterdamsche Sowjet’ naar veranderingen in de sociaal-culturele economische structuur. Alleen jammer dat er geen enkele foto gevonden is van de evenementen in Amsterdam.

Van de manifestatie in Den Haag bestaan er wel foto’s en een briefkaart, hier voor het eerst afgedrukt. In het Haagse boek komt 1918 drie keer voor: op pagina 73 hield Troelstra zijn ‘befaamde rede’, op pagina 116 staat zijn ‘weinig profetische woorden werkten averechts’ en op bladzijde 136 was het ‘grootspraak’. Drie tegenstrijdige korte vermeldingen van drie verschillende schrijvers en da’s alles. De gebeurtenissen passen dan ook niet in het Haagse verhaal, zoals dat in het boek verteld wordt. Maar het had natuurlijk wel in het verhaal gepast van Den Haag als politiek machtscentrum.

Over 1903 een volgende keer.

Blog 2, 25 januari 2009

A Tale of Two Cities: Hof- en hoofdstad!

Twintig jaar opgegroeid in Haarlem, twintig jaar studie en werk in Amsterdam en ook twintig jaar een beetje carričre in de gemeente Den Haag. Over de beide in Nederland belangrijke steden zijn bijna gelijktijdig twee historische series gepubliceerd. Steden, die zich sterk onderscheiden in structuur, organisatie, uitstraling en geschiedenis. En ook de geschiedschrijving.

Als geboren Haarlemmer kijk ik anders tegen de beide steden en hun bewoners aan dan de Hagenaars en Amsterdammers zelf. En ook anders tegen de geschiedschrijving van de hoofd- en hofstad. Want er zijn grote verschillen in aanpak, organisatie en uitwerking van de beide stedelijke geschiedenissen in de historiografie

Dat beide steden verschillen is duidelijk: Amsterdam het centrum van de wereld, Den Haag het politieke centrum van de Lage Landen. Zo was het in de gouden eeuw. In de laatste twee eeuwen is Amsterdam wereldstad af en Den Haag geen hoofdstad, maar wel hofstad geworden.

Voor buitenlanders is dat wat moeilijk te begrijpen. Zo was ik twee jaar geleden in Hämeenlinna in Zuid-Finland voor een presentatie van de Second Life site van de gemeente Den Haag. Voor een zaal met zestig toehoorders vertelde ik over het internationale karakter van Den Haag en de rol van Second Life daarin. Maar eerst vroeg ik aan hen: wie van jullie denkt dat Den Haag de hoofdstad van Nederland is? Iets minder dan de helft stak zijn vinger op. En na een schets van de hofstad met de Ministeries, Tweede Kamer en internationale organsiaties vroeg ik het weer en nu stak meer dan de helft van de aanwezigen hun hand op, inclusief Dave Carter, een collega uit Manchester, die al meer dan vijftien jaar met Den Haag samenwerkte. Mijn antwoord verbijsterde velen. En verbijsterend het was, voor mij ook om mee te maken, dat het voor Europeanen blijkbaar niet zo helder is welke stad de hoofdstad is. Wellicht verschillen Amsterdam en Den Haag niet zo veel al wij wel denken.

Is de geschiedschrijving van beide steden zo verschillend? In deze en volgende blogs een vergelijking van beide boeken. Maar eerst wat oppervlakkige zaken. Ter vergelijking staan enerzijds het derde deel van de Haagse geschiedenis: Den Haag geschiedenis van de stad. Negentiende en twintigste eeuw onder redactie van Thimo de Nijs en John Sillevis en aan de andere kant deel het derde en vierde deel van de Geschiedenis van Amsterdam. Hoofdstad in opbouw 1813 – 1900 en Tweestrijd om de Hoofdstad 1900-2000 onder redactie van Piet de Rooy en Remieg Aerts (III) en Piet de Rooy (IV) respectievelijk. Wat zeer opvalt is dat het Haagse deel vierhonderd bladzijden heeft en dat de beide Amsterdamse delen bijna dertienhonderd pagina’s beslaan.

Wie zijn de mensen en organisatie achter de boeken. Ik vergelijk deel IV van het Amsterdamse met deel III van het Haagse.

De opdrachtgever van het Amsterdamse boek is de Jan Wagenaar Stichting, vernoemd naar de beroemde 18e-eeuwse geschiedschrijver van de stad. Een stichting die pas onlangs is opgericht (1997) en tot doel heeft  ‘bevordering van onderzoek naar de geschiedenis van Amsterdam’. Naast de vijfdelige Geschiedenis van Amsterdam organiseert de Jan Wagenaar Stichting symposia en educatieve activiteiten. Hoewel deze groep mensen geen website heeft, is zij wel in staat geweest het gehele Amsterdamse sociaal-culturele-economisch-historische wezen achter het project te krijgen. Bij de financiering – iets meer gevers dan Den Haag – valt de BankGiroLoterij op. Omdat in Amsterdam de WisselBank als eerste mondiale begonnen is? Mooi is op het schutblad de dank aan al die Amsterdamse en nationale instellingen die hun gebruikelijke reproductievergoeiding geheel of gedeeltelijk achterwege hebben gelaten.

Of dat bij het Haagse boek ook zo is, valt niet te achterhalen. Er zijn in ieder geval minder schenkers van geld. En geen bankgiroloterij of wat te verwachten was de staatsloterij. De opdrachtgevers van het Haagse boek zijn de ’s Gravenhaagse BoekhandelaarsVereniging en het Haagse Gemeentearchief. Het initiatief kwam in 1997 van de boekhandelsverenigings-voorzitter Frank van Maarseveen om in het kader van het te vieren 150-jarig bestaan in 2004 een geschiedenis van Den Haag te doen uitgeven. De doelstelling van de vereniging is het behartigen van het belang van de boekhandel en niet de geschiedschrijving! Met het Haags Gemeentearchief werkte zij samen in de stichting Geschiedschrijving van Den Haag, speciaal voor dit idee opgericht.

Volgende blogs over onderwerpen waarin de geschiedenis van de steden elkaar raken of divergeren.

Marten Buschman



Blog 1, 22 december 2008

Cajo in 1978. Foto P. Rademakers

Cajo kletst niet!

Op 22 november presenteerde Christian Frings uitgever te Keulen in het IISG een boek met een keuze uit de werken van de raden-communist Cajo Brendel. Brendel die in 2007 op hoge leeftijd overleed, was een graag geziene gast in Keulen.

Het was een bijeenkomst met veel verhalen, analyses en vooral heel rijkgeschakeerde meningen. Precies zoals het toeging bij de radencommunisten, denk ik. Want er waren niet al te veel mensen, en allen verschilden van mening en iedereen droeg bij aan het debat. Het debat, want zo noemden Christian Frings en zijn compaan Alix het. Vooral Alix zei in haar inleiding dat de ideeën van Cajo nog steeds actueel zijn. Na de bijeenkomst gaf ze me een brochure over arbeiderszelfbestuur in Patagonië. Een treffend voorbeeld van haar stelling.

Het was wel een mooie bijeenkomst, een waar eerbeteoon aan Cajo en zijn geschriften. Ik had bijna geschreven een eerbetoon aan zijn ideeën, maar dat was het nou net weer niet! Hardgrondig oneens waren de aanwezigen het ook niet.

Cajo te Leningrad. Foto IISG.

De middag begon met een video van Cajo al redenerend in voor ons vloeiend Duits met een licht Nederlands accent over de ontwikkelingen van de klassenstrijd. De opnames waren lang, maar gelukkig speelde Christian niet alles af. Ik was al na twee minuten afgehaakt en kon de analyses van Cajo niet meer volgen.

Zo was het ook tien jaar geleden in een kleine zaal in Amsterdam waar een boek van Cajo zelf over het radencommunisme gepresenteerd werd. Dennis Bos interviewde Cajo en wij werden overgoten met prachtige welluidende analyses van het kapitalistische systeem en omdat het Nederlands was haakte ik pas na vier minuten af. Dennis probeerde hem te verleiden tot wat meer persooniljik gerichte verhalen, maar Cajo liet zich niet van de wijs brengen. Die  anecdotes kwamen achteraf en die zijn het begin geweest van de zes prachtige verhalen, die in dit tijdschrift verschenen zijn.

Tijdens de gesprekken kwamen er mooie details te voorschijn over Cajo: dat-ie eigenlijk maar één gerecht had: pasta met saus en rode wijn. En dat hij geen bibliofiel was, want in elk boek schreef hij met grote letters zijn commentaren: niet over het hoofd te zien. Marja van der Klok, die de laatste jaren zijn archief heeft geordend, vertelde een prachtig verhaal over Cajo.

Maar ook twee principiele discussies over het radencommunisme an sich. De radencommunisten - en Cajo was geen uitzondering - hadden de naam de kloosterbroeders van het marxisme te zijn, dat wil zeggen zij vonden dat de arbeiders zelf de taak hadden de revolutie door te voeren. Cajo en de zijnen praten daar over. En dat ging ver: een Catalaanse kameraad van Cajo kwam speciaal voor een weekend over om de analyses aan te scherpen: op de brommer van uit Barcelona en twee dagen later weer terug.
 
Vanuit hun theoretische kennis hebben ze - en vooral Cajo - prachtige analyses gemaakt van allerlei gebeurtenissen als Kronstadt, Catalaanse Revolutie, de Chinese Culturele Revolutie en Berlijn 1953. Analyses die nog steeds de latere kritiek kunnen doorstaan. Een zo'n analyse heeft de beide neefjes van Cajo van het Maoisme genezen. Voorwaar een prestatie in de jaren zeventig.

Toch ging Cajo op pad en in discussie met de arbeiders over de vakbonden, over hun strategie en taktiek. Een fraai voorbeeld zijn de gesprekken met de arbeiders uit Wales. Ik mocht een gedeelte voorlezen tijdens het betoog van Alix en het was zo mooi geschreven, maar tegelijkertijd voelde je de wereld van verschil tussen Cajo en de mijnwerkers. Hij vertelt het niet in dit verhaal, maar wel in de andere: de meeste mensen raakten geďrriteerd, soms moest hij rennen voor zijn leven. En een ander voorbeeld, op zijn analyse van de staking in Groningen kreeg ik snel daarna een ongezouten brief van Cees Schelling, één van de beschreven personen: 'maar de feitelijke onjuistheden (...) zijn zo verbijsterend waardoor ik niet meer weet wat ik met de rest aan moet.'

Maar daar gaat hier om: Cajo greep wel in en probeerde  - vaak tevergeefs - zijn mede-wereldburgers te overtuigen. Toch een beetje vreemde tegenspraak.

Een ander punt, dat ik ter sprake bracht, is volgens mij een blinde vlek. Cajo keek vooral naar de ontwikkelingen in de sociale bewegingen en oordeelde dat de eigen rol van mensen daar te gering was. Ook een organisatie als het OVB, dat nota bene de slogan van het arbeiderszelfbestuur in het vaandel droeg, was volgens Cajo niet anders dan een gewone vakbond.

Wat hij niet zag, was de tendens van veel jonge mensen om zelfstandig te zijn en te blijven, de ZZP-ers. Was het vroeger vooral de strategie van jonge arbeidsmarktoetreders zo snel mogelijk een baan te krijgen en te houden in een organisatie desnoods via een tijdelijk zelfstandig bestaan, nu is vooral de strategie zelfstandig te worden desnoods via een omweg in een arbeidsorganisatie.

Het is jammer dat Cajo deze tendens niet gezien heeft, want hij zou er fraai over geschreven hebben, want het is zoals Piet Rademakers zei: Cajo kletst niet!

Marten Buschman

22 december 2008