Nol Westendorp

Communisten en communisme


Gerard Reve schreef eens ongeveer, dat ouderdom een tijd van overpeinzing en bezinning is. Ik dacht daaraan, toen ik weer eens een interview las met Elsbeth Etty, cum laude gepromoveerd op een biografie over Henriette Roland Holst en - dat zal zij haar hele leven blijven - ex lid van de CPN. Over dat laatste feit moet zij zich nog altijd verdedigen en verantwoorden. En daar zit zij niet mee, zo blijkt. 

Maar het een en ander was voor mij aanleiding, na te denken over ideeėn en contacten met het communisme en communisten vanaf mijn jeugd. Het vroegste wat ik mij herinner was in de jaren dertig. Ik woonde in de Haagse Van Dijckstraat in de bekende Schilderswijk.

AJC-betoging in de jaren dertig

Bij verkiezingen hingen er geen of weinig biljetten voor de ramen van de CPN. Leden telde die partij daar ook nauwelijks. Wel werd er gesproken over de toenmalige lijsttrekker Louis de Visser en daarbij werd ook altijd vermeld dat hij vroeger glazenwasser was geweest. Omdat ik al jong lid werd van de AJC en daar mijn politieke en culturele vorming kreeg, bevond ik mij bijna dagelijks in een politiek milieu. Maar ik herinner mij geen speciale belangstelling voor de Russische Revolutie. Een beetje ambivalent, omdat het tsarisme voor die revolutie ook van geen kant deugde. Op ontwikkelingsavonden - in de wintermaanden op zondag - kwamen wel eens buitenstaanders een lezing houden (onder anderen Dr. Nicolette Bruining van de VPRO) maar een communist kwam ik er nooit tegen. Ook de grote inzamelingen voor de slachtoffers van de Spaanse Burgeroorlog die worden georganiseerd, gingen buiten de CPH om.

Twee jongens uit onze 'rijen' meldden zich in Rotterdam bij het consulaat van de Republikeinse Regering om vrijwillig dienst te nemen bij de Internationale Brigade. Een werd aangenomen, vertrok en heb daarna nooit meer iets van of over hem vernomen. De tweede werd afgewezen omdat hij te jong was. Hij leeft nog: soms zit het in kleinigheden.

Toen ik bij de ouderengroep van de AJC was, de Rode Wachten, moest ik een spreekbeurt vullen over Lenin. Ik weet nu nog dat hij eigenlijk Wladimir Iljits Oeljanof heet. Bij de voorbereiding wilde ik precies weten waar de plaats in Rusland lag waar hij was geboren. Ik stapte op de Hoefkade het winkeltje binnen van de Vereniging van Vrienden van de Sovjet-Unie. Daar vond ik de gestaalde kaders. Zij hadden nog nooit zo iemand als ik op bezoek gehad. Ontvingen mij vriendelijk, konden me goed helpen en nodigde mij uit nog eens terug te komen. Dat gebeurde natuurlijk niet. Met enkele jaren tussenpozen had ik nog een typische ervaring. In 1939 was ik als
dienstplichtig soldaat ingelijfd bij het regiment Jagers. Een van de eerste dagen moest ik praten met een selectieofficier (ik kwam nooit verder dan soldaat) en ik vertelde die man dat ik humanist was. Hij begon toen heel vreemd tegen mij uit te varen. AJC-betoging in de jaren dertig. Zoiets van staatsvijand nummer 1. Ik begreep dat eerst niet, maar even later zei ik tegen die man: ik ben geen communist maar humanist. Wellicht had hij dat nooit eerder gehoord. Vele jaren later lag ik in een Haags ziekenhuis. Daar kwam de katholieke pastoor langs. Alhoewel ik RK gedoopt ben, zei ik tegen die man dat praten met mij geen zin had, want dat ik humanist was. Ook dat werd verkeerd verstaan. Wellicht dat enige spraakles aan mij wel besteed zou zijn geweest. Tijdens de oorlogsjaren waren er - wat mij betreft - weinig contacten met de illegale communisten. Aan het einde van de oorlog hadden we illegale communisten als bovenburen. We deelden de clandestiene electrische stroom met hun, wij kregen De Waarheid en zij van Het Parool. Direct na de bevrijding ging ik weer naar de AJC- gelederen. DaarAlgemeen Nederlands Jeugd(afgekort het ANJV). Dat bleek al snel een communistische mantelorganisatie. Zij vonden dat wij ons maar bij hun moesten aansluiten. Dat werd dus niks.

Nol Westendorp met nieuwe fiets

Toen ik tussen 1954 en 1966 voor Haagse departementen 'deed', zo heet dat in ons jargon, heb ik nooit met een CPN-kamerlid contact gehad. Nou was het nog niet de tijd van 'ouwejongenskrentebrood'. Als voorbeeld, ik heb in die jaren ook nimmer een woord gewisseld met Jaap Burger. En, toen ik een keer, achter de groene gordijnen, Dirk Roemers wilde aanspreken, werd ik afgeblaft. 'Wat ik mij wel verbeeldde', enz. Maar in onze verslagen kwamen de CPN-ers wel aan het woord. Zij hadden in Gortzak, Wagenaar, Polak en Stokvis ook een aantal bekwame kamerleden. Wel was het een parlementaire miskleun om in het parlementsgebouw een zaal naar Marcus Bakker te benoemen. Nooit iets benoemen naar iemand die nog leeft, vind ik. Maar dat is een ander verhaal dat iemand als Elsbeth Etty lid van de CPN werd, is wellicht nog te begrijpen. Zij komt uit wat wij noemden een burgerlijk nest. Maar in die tijd werden ook veel progressieve studenten, ook van joodse afkomst, lid van die partij. Toen was toch al genoeg bekend van het stalinistische schrikbewind en het antisemitisme, dat daar welig tierde.

Ik zelf begreep dat al voor de oorlog, toen in de kranten de verslagen stonden over de monsterprocessen in Moskou. Zeer vooraanstaande communisten werden aangeklaagd, zij bekenden en werden ter dood veroordeeld. Toen dacht ik al: dat kan niet deugen. Ik deed wel een beetje kritisch over de 'handel en wandel' van Elsbeth Etty - die ik niet persoonlijk ken - maar ik ben haar wel dankbaar vanwege de schitterende biografie over Henriette Roland Holst, van wie wij de gedichten met de paplepel kregen ingegoten. Een zeer persoonlijke herinnering heb ik nog aan haar drama in verzen over het leven en streven van Thomas More. Tijdens de bezettings-jaren reisden wij met een groepje AJC-ers illegale huiskamerbijeenkomsten af en lazen uit dat boek voor. Nog persoonlijker is het feit dat wij onze tweede dochter de naam Margreet gaven: de naam van Thomas Mores dochter.

Op het gevaar af dat dit gaat behoren tot het verschijnsel namedropping, wil ik het ook nog hebben over mijn contacten met drie ex-communisten, dus over Gerard, Karel en Gerard van het Reve. De vader ontmoette ik in '45/'46 in de Amsterdamse tram. Ik zat daar in het gezelschap van Wim Polak - niet de latere burgemeester, maar de wethouder. Een wat oudere heer riep hem vanuit de verte toe: 'Mijn zoons gaan alle twee bij de Bezige Bij publiceren“. Het duurde vele jaren toen ik mij realiseerde dat die oudere heer “de vader“was. Want die toekomstige schrijvers behoorden nog niet tot mijn referentiekders. De oudere heer ontmoette ik later ook enkele keren toen hij in het archief van Het Parool werkte. Daarna Karel ook, maar aan hem moest ik mij altijd weer voorstellen. 'Ik ben die man die wel eens in Het Parool schrijft en in Frankrijk in de buurt van Gerard woont.' Ik schreef ooit in de krant: 'Karel, die bijna net zo goed schrijft als zijn broer Gerard.' 'Dat zal Karel niet leuk vinden', zei Gerard tegen mij, toen ik hem die zin liet lezen.

Zeventien jaar woonden wij in Frankrijk vlak bij Gerard Reve en Joop Schafthuizen. Ik zou er een boek(je) over kunnen schrijven, maar zal dat niet doen. Wij deelden wel veel lief en leed. Bijna dagelijks kwam Gerard even bij ons langs. 'Ali', vroeg hij aan mijn vrouw, 'Heb je nog een bruine boterham met konijnekaas.' Nu ik toch met namedropping bezig ben, dan nog maar deze uitsmijter. Op 31 augustus 1986 schreef Gerard aan matroos Vosch: 'de W.'s zijn al met al lieve en degelijke mensen.' Zo hoort U het een keer van een ander.